==
Altijd wacht er ergens in de schaduw wel iemand, iemand die daar heeft postgevat, die geduldig rondhangt in afwachting van het bevel om in actie te komen, in het verborgene, als een ziekte die afwacht wanneer ze aan de dag kan treden om de spieren aan te tasten of het bloed te vergiftigen. Dit aanvaard ik zonder meer, zoals de priester de aanwezigheid van een zondaar in zijn kerk accepteert, de schoolmeester een bengel in zijn klas of de generaal een lafaard in zijn leger. Het hoort nu eenmaal bij het leven dat ik leid, en het is mijn taak goed op te letten, de confrontatie uit de weg te gaan en te ontsnappen aan deze vage achtergrondfiguur.
In Washington dc heb ik ook eens een schaduwfiguur achter me aan gehad. Het is niet nodig dat u precies weet waarom ik in Washington was. Laat ik het erop houden dat ik er was om het toneel te verkennen waar mijn opdrachtgever de loop van de geschiedenis wilde veranderen. Ik was destijds nog een nieuweling in het vak, maar gelukkig was deze schaduwfiguur geen expert – wie dat wel is, weet zich zelfs staande naast een eenzame cactus in de woestijn onzichtbaar te maken door daarmee te versmelten.
In het hartje van Washington, een van de mooiste steden van Amerika – als je tenminste de zwarte voorsteden buiten beschouwing laat, waar de onmisbare werkende klasse woont die de metropool van de blanken aan de gang houdt – ligt de Mall. Het is een park met grasvelden en bomen, vijfhonderd meter breed en ruim een kilometer lang, doorkruist door wegen en afgegrensd met lanen. Aan de oostkant staat op een eigenwijs heuveltje het Capitool, als een bruidstaart die op tafel was achtergebleven toen de schoorsteenveger zijn werk kwam doen. Aan de andere kant zit Lincoln op zijn witmarmeren zetel somber voor zich uit te staren, een norse rechter met een strenge blik voor alles wat er mis is met de natie die hij tevergeefs heeft getracht te verenigen. Halverwege daartussen staat de fallische zuil van het monument voor Washington. Ten noorden hiervan, achter The Ellipse, staat het Witte Huis, dat streng beveiligd wordt – te veel presidenten hebben immers voortijdig de Potomac moeten oversteken om naar de nationale begraafplaats van Arlington te worden gebracht.
Niet iedereen die eruitziet als een toerist is er ook een. Ik zag er binnen vijftig meter van de presidentiële ambtswoning zeker een stuk of tien. De mussen vielen van het dak, zoals dat heet. Er waren twee vrouwen bij. Ze liepen tussen het publiek door, luisterden en keken om zich heen, aten popcorn of een ijsje of namen in de zomerhitte af en toe een teug van een Coke of een Pepsi. Ook zij waren geen specialisten, maar maakten deel uit van het gewone voetvolk van mijn professie, degenen die gemist kunnen worden, kanonnenvoer.
Hier is het begonnen, in het National Museum of Natural History. Ik dwaalde door de zalen en liep zonder veel interesse de dinosaurusskeletten te bekijken, toen ik een schaduwfiguur in de buurt gewaarwerd. Ik zag hem niet, maar ik wist dat hij er was. Ik keek of ik hem zag, in het spiegelglas van de vitrines en tussen de groepen schoolkinderen en toeristen. Maar ik kon hem niet vinden.
Het was geen inbeelding van me. Ik was zoals gezegd een beginneling, maar ik had mijn zevende en achtste zintuigen al ontwikkeld. Het negende en het tiende zijn pas later gekomen.
Ik ben naar de museumwinkel gegaan, heb daar een tijdje rondgehangen en een paar dingen gekocht. Geen dingen van waarde, maar een op een magneet gelijmd pyrietkristal, een gefossiliseerde vis uit Arizona, wat ansichtkaarten en een nylon Amerikaanse vlag met een merkje ‘Made in Taiwan’.
Een aankoop doen, al is het maar een broodje of een hotdog bij een stalletje op straat, is een goede dekmantel als je iemand wilt observeren. De schaduwfiguur denkt dat degene die hij volgt zich concentreert op zijn geld of het gesprek met de verkoper. Maar met enige oefening kun je je afwisselend bezighouden met de observatie en de transactie en blijven heimelijke blikken onopgemerkt.
Hij was er. Ergens. Ik zag hem nog niet. Hij zou de man geweest kunnen zijn met het overhemd met het losse boordje, het Daks-jasje en de camera over zijn schouder. Of de jonge man met de mollige vrouw. De onderwijzer met zijn schoolklas, of de oude man die achter een groep bejaarden uit Oklahoma aan slenterde. De dikkige man die het logo van zijn reisorganisatie ondersteboven op de revers van zijn marineblauwe windjack had gespeld – het zou een signaal kunnen zijn voor een collega-schaduwfiguur. Of de gids van dat gezelschap. Hij zou zelfs die Japanse toerist geweest kunnen zijn. Ik wist het gewoon niet.
Ik verliet het museum, sloeg rechts af Madison Drive op, bleef even staan bij een kraam waar warme koeken werden verkocht. Ik zag hem niet tussen de voorbijgangers of de mensen die uit het museum kwamen, maar ik was me nog steeds bewust van zijn aanwezigheid. Ik kocht twee koeken in een vetvrij papieren zakje, liep langs het museum en stak 14th Street over.
Op de trottoirs en de gazons van het park kwamen veel mensen mijn kant op gewandeld. Op de wijde, open ruimte van de Mall had ik meer kans om een schaduwfiguur te herkennen.
Ik liep naar de obelisk, het monument voor George Washington. Jongens van een jaar of tien die even de vrije teugel hadden gekregen van hun onderwijzer waren op het gras aan het spelen en gooiden elkaar een softbal toe, die ze opvingen in rundlederen vanghandschoenen. Van een afstandje hoorde ik de bal in het leer ploffen.
Toen ik dichter bij het monument kwam, bleef ik staan en draaide me om. Ook anderen deden het, om het fraaie uitzicht op het Capitool te bewonderen dat je vanaf het midden van de Mall hebt.
Ik zag niemand geschrokken reageren, zelfs niet in de verte, zelfs niet even. Toch wist ik nu wie het was. Het was een man die daar met vrouw en kind liep, een jaar of dertig, vijfendertig, een meter tachtig lang, zeventig kilo, tenger van bouw. Hij had donker haar en droeg een beige colbertje, een bruine broek, een lichtblauw overhemd en een stropdas die hij had losgemaakt. Zijn vrouw had kastanjebruin haar en zag er mooi uit in haar jurk met een bloemetjesmotief en haar leren schoudertas. Het kind dat ze bij zich hadden was een meisje van ongeveer acht jaar met – vreemd genoeg – blond haar. Ze hield de hand van de vrouw vast, en dat verraadde hen. Ik kon niet precies omschrijven wat er mis was, wat de minieme aanwijzingen waren waaruit ik concludeerde dat het geen gezin was. De hand van het meisje paste gewoon niet in die van de vrouw. Op de een of andere manier ontbrak de normale vertrouwdheid tussen moeder en dochter.
Toen ik hen bekeek, realiseerde ik me dat ik ze in de museumwinkel ook had gezien. Maar daar, in het gedrang van de bezoekers, was de onnatuurlijkheid in de relatie tussen moeder en kind niet zichtbaar voor me geweest. Nu ik hen goed kon bekijken, was het evident. Ik moest ze kwijt zien te raken.
Als ik ervandoor ging, zou de man me volgen, bedacht ik. Hij was atletisch gebouwd en in goede conditie. Ik zou niet veel kans hebben om hem op het grasveld te snel af te zijn. De vrouw en het kind zouden niet achter hem aan komen – de vrouw zou contact opnemen met andere agenten in de buurt om me de pas af te snijden. Dat het kind erbij was, betekende slechts gering ongemak.
Ik deed alsof ik hen niet opmerkte en liep verder in de richting van het monument. Precies op de rand van de schaduw daarvan bleef ik staan en ging ik op het gras zitten om mijn koeken op te eten, die inmiddels waren afgekoeld. Het zogenaamde gezinnetje kwam nog dichterbij. Ze hadden niet in de gaten dat ik hen had doorzien.
Toen de vrouw vlakbij was, rommelde ze in haar schoudertas naar een zakdoekje. Ik was ervan overtuigd dat ik de nauwelijks waarneembare klik van een sluiter hoorde, maar het gaf niet. Ik was erop voorbereid en had mijn gezicht half afgedekt met mijn handen en een stuk koek.
De man wees naar de top van de obelisk. ‘Charlene, lieverd,’ zei hij, en ik bedacht dat hij maar een heel klein beetje te hard sprak, ‘dit monument heeft het Amerikaanse volk opgericht om de grote George Washington te eren, de eerste president van ons land.’
Het meisje deed haar hoofd achterover en keek omhoog, zodat haar blonde lokken los naar achteren hingen.
‘Het doet pijn in mijn nek,’ klaagde ze. ‘Waarom hebben ze het zo hoog gemaakt?’
Even later liepen ze door, terwijl ze het kind van alles over Washington en zijn monument vertelden. Het merendeel van de toeristen liep een rondje om de obelisk om het effect van de weerspiegeling van het gedenkteken voor Lincoln in de langwerpige vijver te zien. Het gezinnetje deed dit echter niet, wat voor mij de definitieve bevestiging was.
Zo onopvallend mogelijk liep ik dezelfde weg terug, tegen de stroom voetgangers in. De meesten, vermoedde ik, volgden een wandelroute waarbij je na een korte onderbreking bij de naald van Washington hoort door te lopen naar Lincoln. Het gezinnetje liep trouwhartig achter me aan. Ik liep langs het Witte Huis en Lafayette Square en ging Connecticut Avenue op. Ik had een kamer geboekt in een hotel achter Dupont Circle en nam aan dat ze dit wisten. Ze zouden denken dat ik daar naartoe ging.
Ik bleef bij een zebrapad staan wachten totdat het voetgangerslicht op groen sprong. Ze bleven ergens achter mij staan, en de man deed alsof hij de schoenveters van het meisje opnieuw strikte. Het was toneelspel – ik had al gezien dat haar witte sandaaltjes dicht gegespt waren. De moeder frunnikte aan haar schoudertas. Ik veronderstelde dat ze er een walkietalkie in had zitten en mijn positie doorgaf.
Het licht sprong op groen. Er kwam een taxi aanrijden. Ik hield hem aan en stapte snel in.
‘Patterson Street,’ zei ik. De taxi keerde, wat daar verboden is, en reed K Street in de tegenovergestelde, oostelijke richting uit.
Ik keek achterom. De walkietalkie zat niet meer in de schoudertas. De man keek, met zijn rechterhand onder zijn jasje, koortsachtig rond op zoek naar een andere taxi. Het meisje stond in verwarring tegen een rode brandkraan geleund.
Op Mount Vernon Square gaf ik de chauffeur tot zijn ergernis een ander adres op. Hij reed 9th Street uit, stak Washington Channel en de Potomac over, en vandaar ging het verder naar de luchthaven. Twintig minuten later zat ik in het eerste vertrekkende vliegtuig. Het maakte me niet uit waar het naartoe ging.
Schaduwfiguren zijn er altijd. Ik ken ze, want ik ben een van hen. We maken deel uit van hetzelfde geheime vrijmetselaarsgilde.
==
Gisteren kwam mijn bezoeker. Ik zal geen naam noemen. Dat zou dom zijn, het toppunt van indiscretie in mijn beroep. Ik weet de naam trouwens zelf niet eens. ‘Boyd’, is alles wat ik weet – met die naam was het briefje ondertekend.
Het was een persoon van gemiddelde lengte, mager maar goedgeproportioneerd, tenger, met donkerblond haar dat misschien geverfd was. Een stevige handdruk. Daar houd ik van: iemand die je een stevige hand geeft is te vertrouwen, althans binnen de verwachtingen die je aan deze relatie mag stellen. Een rustig iemand met een zachte stem, iemand van weinig woorden, conservatief gekleed in een goed gesneden pak.
We hadden niet in het appartement afgesproken, maar in de buurt van de fontein op het Piazza del Duomo. Mijn bezoeker stond, zoals we afgesproken hadden, met een zonnebril op bij de kaasstal de editie van Il Messaggero van die dag te lezen, met de voorpagina voor de helft opengevouwen.
Dit was het afgesproken teken van mijn bezoeker. Nu moest ik het mijne geven. Ik liep naar de kaasstal.
‘Un po’ di formaggio,’ bestelde ik.
‘Quale?’ vroeg de oude vrouw. ‘Pecorino, parmigiano?’
‘Questo,’ antwoordde ik, wijzend. ‘Gorgonzola. E un po’ di pecorino.’
Eerst gorgonzola, dan pecorino – dit was de formule, een volgende stap in het spel van contact maken.
Ik werd voortdurend geobserveerd. Ik betaalde. De voorpagina van de krant gleed op de grond. Ik pakte hem op.
‘Grazie.’
Terwijl mijn bezoeker het woord zei, werd het hoofd iets opzij gehouden. Er speelde een glimlach om de lippen. Ik zag lijntjes verschijnen bij de ooghoeken – mijn bezoeker was nog jong.
‘Prego,’ zei ik, en voegde eraan toe: ‘Graag gedaan.’
De krant werd opgevouwen, ik nam mijn wisselgeld in ontvangst en liep tussen de marktstallen op enkele passen achter mijn bezoeker naar de gelateria/bar, waar voor de deur op de stoep wat tafeltjes en stoeltjes stonden. Mijn bezoeker ging onder een Martini-parasol zitten, ik aan de andere kant van het tafeltje, dat wiebelde op het trottoir.
‘Warm, hè!’
De zonnebril ging af en werd neergelegd. De ogen waren donkerbruin, maar met gekleurde contactlenzen kun je de iris een andere kleur geven, en ik dacht dat dit hier het geval was.
De kelner kwam naar ons toe, spreidde een tafellaken uit over het tafeltje en gooide de blikken asbak leeg in een putje in de goot.
‘Buon giorno. Desidera?’
Hij klonk vermoeid. Het was bijna twaalf uur, en de zon brandde.
Ik bestelde niet. Dit was de laatste test, de laatste controle. Mijn bezoeker zei: ‘Due spremute di limone. E due gelati alla fragola. Per favore.’
Weer een glimlach, en ik zag weer lijntjes in de huid om de ogen. De kelner knikte. Ik zag dat de glimlach van mijn bezoeker iets onbetrouwbaars had, iets sluws – een soort scherpte. Het was zo’n sluwe, zogenaamd gedweeë blik die een gewiekste hond kan hebben die net in een slagerij een biefstuk heeft geroofd.
We zeiden niets totdat de drankjes en ijsjes kwamen.
‘Het is warm. Ik heb geen airconditioning in mijn auto. Ik had er wel om gevraagd, maar…’
De zin werd niet afgemaakt. Met magere, artistieke vingers als van een musicus haalde mijn bezoeker het rietje uit het glas en nam een slokje.
‘Wat voor een auto heb je?’ vroeg ik, maar ik kreeg geen antwoord. De lichtbruine ogen schoten heen en weer over de menigte op de markt, van de ene voorbijganger naar de andere.
‘Woon je ver weg?’
De stem was ingetogen, eerder passend bij een intiem tête-à-tête in een gezellig restaurantje dan bij een gesprek aan een gammel tafeltje op een caféterras.
‘Nee. Vijf minuten lopen hooguit.’
‘Mooi! Ik heb genoeg zon gehad voor vandaag.’
We aten onze ijsjes op en dronken onze glazen leeg. En weer zwegen we totdat het tijd was om te vertrekken. De kelner bracht de rekening.
‘Laat mij maar,’ bood ik aan, en ik reikte naar de nota.
‘Nee. Mijn rondje.’
Een vertrouwde uitdrukking, dacht ik. Een landgenoot in elk geval.
‘Weet je het zeker?’
‘Heel zeker.’
Alsof we oude vrienden waren die met elkaar een beetje aan het dollen waren over de rekening in een Londens café. Zakenvrienden. En dat zijn we ook eigenlijk wel, want we doen zaken.
‘Ga jij maar vast. Ik wacht op mijn wisselgeld en kom achter je aan.’
We liepen naar de vialetto, mijn bezoeker op geen enkel moment minder dan dertig meter achter me aan.
‘Heel mooi,’ was het commentaar toen ik voorging naar de koele canyon van de binnenplaats, waar in de stilte de fontein zachtjes drupte. ‘Je hebt een mooi plekje gevonden. Ik ben dol op fonteinen. Die geven zo’n… zo’n rust.’
‘Ik voel me hier lekker,’ antwoordde ik.
Dat was het moment dat ik, misschien voor het eerst, een soort affiniteit voelde met de stad, de vallei en de bergen, voelde hoe diep de rust was die ervan uitging, en ik vroeg me af of ik, wanneer het allemaal voorbij was, hier zou blijven, of ik de jaren waarin ik van mijn rust kon genieten hier zou doorbrengen, in plaats van weer op zoek te gaan naar een ander tijdelijk onderkomen en schuilplaats.
We gingen de trap op en mijn appartement in, mijn bezoeker ging in een van de regisseursstoelen zitten.
‘Zou ik misschien een glas water mogen? Het is zo verdomd heet.’
Verdomd – weer zo’n vertrouwd woord.
‘Ik heb ook koud bier. Of wijn. Capezzana bianco. Beetje droge wijn.’
‘Een wijntje dan, graag.’
Ik ging naar de keuken en opende de koelkast. De bierflesjes rinkelden in de deur. Aan het kraken van het hout hoorde ik dat mijn bezoeker zich in de stoel omdraaide. Wat er gebeurde was duidelijk – mijn bezoeker bekeek mijn huiskamer om te zien of er iets vertrouwds te zien was, iets geruststellends, iets wat veiligheid bood.
Ik schonk wijn in een glas met een hoog voetje en een biertje voor mezelf en liep met de glazen op een olijfhouten dienblad naar binnen. Ik zette de wijn neer en keek toe hoe mijn bezoeker een slok nam.
‘Ah, dat smaakt beter.’ Een halve glimlach. ‘We hadden wijn moeten bestellen op het terras, geen citroensap.’
Ik ging op een van de andere stoelen zitten, legde het dienblad op de grond en hief mijn glas.
‘Proost!’ zei ik.
‘Ik heb niet veel tijd.’
‘Oké.’ Ik nam een slok van mijn bier en zette het glas weer op het dienblad. ‘Wat zijn precies je wensen?’
De blik ging naar de ramen.
‘Je hebt hier een mooi uitzicht.’
Ik knikte.
‘Je kunt niet worden bekeken. Dat is belangrijk.’
‘Ja,’ antwoordde ik, geheel overbodig.
‘Het bereik moet ongeveer vijfenzeventig meter zijn. In elk geval niet meer dan negentig. Misschien veel minder. Ik heb hooguit vijf seconden. Misschien zeven, maximaal.’
‘Om hoeveel…’ – ik zweeg. Ik weet nooit hoe ik het moet verwoorden. Ik heb dit gesprek de afgelopen drie decennia zo vaak moeten voeren en weet nog steeds niet hoe ik het precies moet doen – ‘… doelwitten gaat het?’
‘Eentje maar.’
‘En verder nog wensen?’
‘Snel vuur. Redelijk grote patroonhouder. Bij voorkeur een 9 mm parabellum.’
De artistieke handen lieten de wijn in het glas ronddraaien. Ik keek hoe de weerkaatsing van de vensters ronddraaiden in de zachtgele wijn.
‘En hij moet licht zijn. En tamelijk klein. Compact. Demontabel misschien.’
‘Hoe klein? Zo klein dat hij in je zak past?’
‘Iets groter mag ook. Dat hij in een koffertje past. Een aktetas of zo. Of in een beautycase.’
‘Afschermen tegen röntgenstraling? Camoufleren – als transistorradio, walkman, camera? Als iets wat tussen doosjes en spuitbussen in ligt, zoiets?’
‘Hoeft niet.’
‘En het geluid?’
‘Er moet een geluiddemper op. Om het zekere voor het onzekere te nemen.’
Het wijnglas resoneerde toen het voetje op de plavuizen werd neergezet en mijn bezoeker opstond om te vertrekken.
‘Zal het lukken?’
Ik knikte weer.
‘Zeker.’
‘Hoe lang heb je nodig?’
‘Een maand. Dan testen. En dan nog een week, zeg maar, om er de laatste hand aan te leggen.’
‘Vandaag is het de zesde. Ik wil hem op de dertigste testen. Als je hem dan vier dagen daarna aflevert…’
‘Afleveren doe ik tegenwoordig niet meer,’ zei ik. Ik had het ook in mijn brief al vermeld.
‘Tot ik hem kom ophalen dan. Hoeveel?’
‘Honderdduizend. Nu dertig, twintig bij de test en ten slotte nog vijftig.’
‘Dollars?’
‘Natuurlijk.’
De glimlach was nu minder behoedzaam. Er zat iets van opluchting in, een tevredenheid die je wel vaker ziet bij mensen die krijgen wat ze hebben wilden.
‘Ik moet een plek hebben om hem te testen. En een koffertje.’
‘Natuurlijk.’ Nu glimlachte ik. ‘Ik zal ook zorgen voor…’
Ik liet de rest onuitgesproken. Zoals je aan een pen niets hebt zonder inkt, evenmin als aan een bord zonder eten of een boek zonder woorden, zo heb je ook niets aan een machinepistool zonder munitie.
‘Uitstekend, Mister… Butterfly.’
De bruine envelop plofte op de stoel.
‘De eerste betaling.’
Te oordelen naar de dikte moesten er honderden biljetten in zitten.
‘Tot het einde van de maand, dan.’
Ik stond op.
‘Blijf alsjeblieft zitten. Ik kom er wel uit.’
==
Het is niet goed om vaste gewoonten te hebben. Ik heb minachting voor mensen die hun leven laten beheersen door hun agenda, die hun bestaan hebben ingericht met de efficiëntie van de Duitse spoorwegen. Niets is verwerpelijker dan een man die zonder een spier te vertrekken kan zeggen dat hij dinsdag om kwart over een ’s middags in de pizzeria aan de Via zus-en-zo aan het achtste tafeltje rechts van de deur zal zitten met een glas scansano naast zijn bord en een pizza ai fungi erop.
Zo’n man is als een kind, hij is nooit losgekomen van de zekerheid die zijn ouders boden en van het dwingende maar ook veilige lesrooster van zijn schooltijd. Het houvast dat hij jarenlang heeft gehad aan wiskunde en aardrijkskunde zoekt hij nu bij de pizzeria of de kapperszaak, de koffiepauze of de verkoopvergadering op kantoor.
Hoe je zo’n vastigheid in je leven kunt brengen, is mij een raadsel. Ik kon het niet. Ik ben aan dit soort routines ontsnapt door gestolen snuisterijen te gaan helen en mijn huidige manier van leven te leiden.
Toen ik in een Engels dorp woonde en belaagd werd door overbuurvrouw Ruffords, die ik voor mezelf de Daily News noemde omdat ze een verstokte roddelaarster was, die altijd en eeuwig iedereen in de gaten hield, de enige die het opbracht om mij in mijn isolement te blijven bespioneren, was mijn dag keurig in stukjes verdeeld als die van een schoolmeester. Ik stond om zes uur op, zette koffie, ontdeed mijn kolenkachel van de in de loop van de nacht verzamelde slakken onderin, maakte toast en keek hoe de melkboer de melk neerzette. Om halfacht ging ik naar mijn werkkamer en begon aan de taken die ik mij voor die dag had gesteld en die ik de avond tevoren op een vel papier had geschreven dat ik boven de werkbank had opgeprikt. Ik zette de radio zachtjes aan. Ik hoorde niets. Alleen wat geluid om de verveling te doorbreken.
Precies om twaalf uur ’s middags, terwijl de bliepjes van het tijdsignaal het einde van de ochtend aankondigden, maakte ik een kop soep voor mezelf, die ik zittend aan tafel in de petieterige huiskamer van mijn huisje opdronk met uitzicht op mijn saaie tuintje, waaraan de wisseling der seizoenen voorbij leek te gaan.
Om één uur ging ik terug naar mijn werkbank, waar ik dan echter niet meteen weer aan het werk toog, omdat die door het werk dat ik ’s ochtends had gedaan rommelig was geworden. Ik besteedde er een halfuur aan om mijn gereedschap weer te ordenen, de zagen aan haken boven de werkbank, de beitels en gutsen aan de vensterbank, de hamers in een rek aan het uiteinde van de werkbank. Dat binnen dat halve uur alles weer op zijn oorspronkelijke plaats hing, zodat ik niet mis kon grijpen, was in mijn geval hooguit een bijkomstig voordeel. Het ging mij om de routine, niet de logica van de indeling van mijn werkzaamheden.
Ik hield om zes uur op met werken en luisterde terwijl ik mijn avondeten klaarmaakte naar het televisiejournaal. Ook dat was routine. Meestal had ik een biefstukje, of voor de afwisseling lamskoteletten. Die hoefde ik alleen maar even te braden. Mijn enige concessie aan de eisen van de originaliteit was dat ik mezelf dwong elke avond een andere groente te bereiden.
Zaterdagochtend ging ik naar de supermarkt. Woensdagmiddag ging ik naar de antiekbeurs, waar ik de handelaren afliep, spullen kocht en verkocht en reparatieklussen aannam.
Nu verzet ik me moedwillig tegen elke routine. Niet alleen om de verveling te bestrijden, maar ook, moet ik toegeven, uit zelfbescherming. Niet alleen vanwege de zelfbescherming waar een man in mijn branche zich voortdurend om moet bekommeren – de onbekende op de hoek, de man die onder een straatlantaarn de krant staat te lezen, degene die op een station gelijk met mij overstapt – maar ook vanwege het behoud van mijn geestelijke gezondheid. Ik zou gek worden als ik me met religieuze trouw aan de tucht van de klok zou moeten houden.
Daarom ga ik nooit elke middag of elke maandag naar hetzelfde café en spreid ik mijn klandizie over een aantal zaken. Niemand zal kunnen zeggen dat het donderdag is omdat hij me op de Piazza Conca d’Oro ziet, aan mijn tafeltje bij de toog van de Conca d’Oro-bar.
Ik zal u eens wat vertellen over deze bar. Hij ligt op de hoek van de piazza, die met die vierkante stenen waarvan Italiaanse stratenmakers zo houden in een bepaald patroon geplaveid is, een duidelijk schelpenpatroon in dit geval. In de piazza liggen twee eilanden: het een met een fontein, het andere met drie bomen.
De fontein doet het niet; er zit geen water in. Studenten van de universiteit gebruiken hem als fietsenstalling. Waar de muziek van kletterend water moet weerklinken, is alleen een wirwar van fietsframes, sturen en pedalen te zien. En onder de bomen heeft de eigenaar van de bar tafeltjes neergezet, waarmee hij de openbare ruimte monopoliseert ten behoeve van zijn bedrijfswinst en, naar hij beweert, het welzijn van de inwoners. Als hij er geen tafeltjes had neergezet, zou de ruimte gevuld zijn met geparkeerde Fiats en scooters die allemaal olie lekken en de lucht verpesten met hun uitlaatgassen. Eigenlijk komt er maar weinig verkeer op de piazza, die in een uithoek van de stad ligt.
Het interieur van de bar is niet te onderscheiden van dat van elke andere bar in heel Italië. Britse pubs zijn allemaal op hun eigen manier uniek. Overal staat wel een jukebox of een eenarmige bandiet, maar daarmee houdt de gelijkenis op. Bij Italiaanse bars is dat anders: die hebben allemaal een plastic gordijn in de deuropening, een etalageruit om het buitenlicht naar binnen te laten, plastic of houten stoelen rond wankele tafeltjes, een bar met een sissend espressoapparaat, rekken vol met door vliegeneitjes bevuilde flessen onduidelijke likeuren en glazen met onregelmatige randen en krassen erop als gevolg van vele duizenden wasbeurten. Op een hoge plank staat vaak een stoffige radio verborgen waaruit vage popmuziek klinkt, en op de bar staat zo’n gokautomaat waar je, als je er een muntje in doet, een houten kraal krijgt met, in het gat, een papiertje met een vlag erop. Als je de juiste vlag hebt, win je een plastic digitaal polshorloge dat bijna niets waard is.
Ze kennen me in de Conca d’Oro-bar als een losse stamgast. Soms ga ik aan een van de tafeltjes op de piazza zitten, soms binnen. Ik bestel een cappuccino of een espresso. Als het koud is, bestel ik warme chocolademelk. Vroeg op de dag vraag ik weleens om een brioche bij wijze van ontbijt.
De andere klanten die de bar bezoeken zijn vaak de slaaf van een of ander strak tijdschema. Zij zijn vaste stamgasten. Ik ken ze allemaal bij naam. Ik onthoud namen. Dat is een belangrijk onderdeel van mijn zelfbescherming.
Het is een vrolijke clubje: Visconti is fotograaf en heeft een kleine studio in de buurt in de Via S. Lucio, Armando is schoenmaker, Emilio (die door iedereen Milo wordt genoemd omdat hij in Chicago heeft gewoond en daar zo heette) heeft een reparatiekraam voor horloges op de Piazza del Duomo, Giuseppe is straatveger, Gherardo heeft een taxi. Het zijn mannen met weinig toekomst maar een brede blik en een blijmoedige kijk op het leven.
Als ik binnenkom, kijken ze allemaal op. Ik zou een onbekende kunnen zijn, met wie of over wie een gesprek de moeite waard kan zijn. ‘Ciao!’ zeggen ze, in koor. ‘Come stai, signor Farfalla?’
‘Ciao,’ zeg ik. ‘Bene!’
Mijn Italiaans is niet al te best. We praten in een soort bastaard-Esperanto van eigen vinding, een taal die verandert naar gelang van onze stemming als we grappa drinken of een fles wijn laten ontkurken.
Ze vragen hoe het met de vlinderjacht is. Ze hebben me een week of twee niet gezien, misschien langer, in elk geval niet sinds de feestdag van San Bernadino di Siena – Gherardo weet het nog, want die dag brak er een achterschokdemper van zijn taxi toen hij op weg was naar het huis van zijn moeder.
Ik zeg dat het goed gaat met de vlinderjacht en redelijk met het schilderen. Ik zeg dat er een tentoonstelling aankomt bij een galerie in München. In Duitsland beginnen de collectioneurs belangstelling te krijgen voor de dieren in het wild in Europa. Milo kan beter wilde zwijnen gaan schilderen, zeg ik, in plaats van ze vanwege de salami als stroper in de bergen te bejagen. Hij moet groen worden. Groen heeft de toekomst in Europa, zeg ik.
Ze lachen. Milo is al groen, zeggen ze – een ‘greenhorn’, een groentje. Het is een van zijn favoriete amerikanismen, waarvoor hij iedereen uitmaakt die ook maar even aan hem twijfelt. Un pivello. Hoewel het al meer dan twintig jaar geleden is dat hij naar Italië is teruggekeerd en zijn beheersing van het Amerikaans inmiddels al veel te wensen overlaat, maken ze hem achter zijn rug zonder enige boosaardigheid uit voor il nuovo immigrato.
Maar het is een afleidingsmanoeuvre. Algauw gaat het over de groene revolutie. Ze willen de wereld redden, deze vijf mannen uit de arbeidersklasse in een bar midden in Italië, midden in de zeventiende eeuw.
Aan de Piazza Conca d’Oro staat geen huis van na 1650. De smeedijzeren balkons en de ramen met de luiken ervoor hebben meer van het verleden gezien dan een hoogleraar geschiedenis. De fontein is naar verluidt door een neef van de Borgia’s ontworpen. Van de kelder van het huis ertegenover wordt gezegd dat er in de dertiende eeuw tempeliers samenkwamen. Nu heeft de eigenaar van de bar het gewelf gehuurd en er een wijnwinkel in ondergebracht. Aan een doodlopend steegje, de Vicolo dei Silvestrini, bevindt zich in de kelder van een huis een kapel waarvan gezegd wordt dat San Silvestro er eens heeft gebeden. Aan het balkon boven de varkensslagerij achter de fontein is ooit een beruchte bandiet opgehangen die door een edelman op heterdaad werd betrapt toen hij met diens vrouw lag te wippen, nota bene in het bed van de edelman zelf. Men is het er niet over eens wie de amoureuze deugniet was, noch over het tijdstip waarop hij werd terechtgesteld. Het is een van de verhalen die de poppenspeler ’s avonds opvoert.
In onderlinge samenspraak komen ze tot een unanieme beslissing. Om het leven op aarde te redden moeten alle auto’s op water gaan rijden. Visconti beweert dat water met zonne-energie in een elektrolytisch proces ontleed kan worden in de elementen waterstof en zuurstof. Die twee gassen worden dan in de cilinderkop gemengd en met een elektrische vonk tot ontploffen gebracht, net zoals in een benzinemotor door de bougie gebeurt. Waterstof is explosief, dat weet iedereen. Denk aan de waterstofbom. Met zijn handen beeldt hij boven tafel een vernietigende paddenstoelwolk uit. Door de explosie wordt de zuiger naar beneden geduwd. En – hij toont een ironisch lachje: dat scheikunde zo eenvoudig kan zijn! – wat houd je over als je waterstof met zuurstof laat ontploffen? Water! Brandstof tanken is er niet meer bij. Het water komt in de uitlaat terecht en wordt vandaar weer terug geleid naar de brandstoftank. Een perpetuum mobile. Alles wat je nodig hebt, is zonlicht om de accu’s op te laden.
Gherardo is hier zeer mee ingenomen. Zijn taxi kan eeuwig blijven rijden. Giuseppe twijfelt. De logica klopt volgens hem niet. Hij heeft veel tijd om na te denken terwijl hij de straten veegt, zegt hij, stratenvegen is het ideale beroep voor een filosoof, meent hij, want je hoeft nergens aan te denken, behalve hoe je moet voorkomen dat je aangereden wordt door een auto met iemand uit Rome achter het stuur.
‘Cosi! Hoezo probleem?’ vraagt Visconti in ons brabbeltaaltje. Hij steekt zijn handen op en schudt ze met zijn handpalmen naar boven heen en weer. Uitdagend haalt hij zijn schouders op.
Als het zo’n goed idee is, vraagt Giuseppe zich af, waarom is het dan niet allang uitgevoerd? Het gat in de ozonlaag is al heel groot, en in Rome stik je nog steeds van de benzinedampen.
Op zoek naar medestanders in zijn afschuw van de onwetendheid van Giuseppe kijkt Visconti van de een naar de ander. We kijken allemaal somber. Het is niet anders.
Als ze het proces openbaar zouden maken, verklaart Visconti, zouden de oliemaatschappijen failliet gaan. Ze hebben jaren geleden alle informatie over het proces gekocht en willen het om hun winsten te beschermen niet prijsgeven.
De anderen halen nu hun schouders op. Dit geloven ze. Er is in Italië veel corruptie bij grote bedrijven. Het gespreksonderwerp verschuift naar de lotgevallen van ac Milan.
Ik drink mijn kopje cappuccino leeg en vertrek. Ze zwaaien me gedag. Tot de volgende keer, zeggen ze. Veel geluk met de vlinderjacht.
==
Helemaal aan het einde van de doodlopende zuidelijke helft van de Via Lampedusa is een bordeel gevestigd. Het is geen luxebordeel. Er zijn geen kastanjebruine fluwelen gordijnen, geen pluche banken en ook geen rode lampjes. Beneden is een kapsalon. Daarboven bevindt zich het bordeel, dat drie verdiepingen telt.
Van tijd tot tijd ga ik daarheen – daar schaam ik me niet voor. Zo doe ik dat nou eenmaal. In mijn wereld kun je je niet de luxe veroorloven een vrouw of een vaste vriendin te hebben. Zo iemand zou een risicofactor zijn, en een vrouw kan zich tegen je keren. Een hoer doet dat zelden.
Er zijn in de Via Lampedusa vier hoeren die daar een volledige dagtaak hebben.
Maria van een jaar of veertig is de oudste. Zij leidt de zaak, maar is niet de eigenares. De eigenaar is een Italiaanse Amerikaan die op Sardinië woont. Of op Sicilië. Of op Corsica. Waar hij zich werkelijk ophoudt is onbekend en het onderwerp van speculatie. Sommigen zeggen dat hij in de regering zit, wat niemand zou verbazen. Zijn aandeel in de opbrengst wordt rechtstreeks naar een bank in Madrid overgemaakt. Maria stort dat geld om de twee weken. Zij werkt zelf niet veel meer en houdt slechts drie specifieke klanten aan, mannen van ongeveer haar leeftijd, die haar vast en zeker al jaren bezoeken.
Elena is ongeveer achtentwintig. Ze heeft vlammend rood haar en een teint als van een model van de prerafaëlieten. Ze mijdt het directe zonlicht en verlaat het huis, om te winkelen of de arts in de Via Adriano te consulteren, alleen als de zon zo laag staat dat minstens de helft van alle straten in de schaduw ligt. Ze is met haar een meter tachtig de langste van de hoeren.
Marine en Rachele zijn allebei vijfentwintig. De eerste is een brunette, de tweede is donkerblond. Ze werken allebei elke dag zo veel mogelijk klanten af en proberen als het zo uitkomt elkaar klanten af te troggelen. Ik ben ervan overtuigd dat het een lesbisch stel is. Het is hun bedoeling om er een flink kapitaaltje aan over te houden en daarmee een jurkenwinkel in Milaan te beginnen. Allebei koesteren ze de droom die elke hoer waar ook ter wereld heeft: ooit de hele nacht zonder onderbreking in hun eigen bed te slapen en een eerbaar, zij het misschien wat gereserveerd lid van de maatschappij te worden. Net als over hun werkgeefster doen er ook over hen geruchten de ronde: ze zouden modellen zijn geweest bij een topagentuur in Milaan, maar ontslagen zijn omdat ze hadden gedreigd de borsten van een ander meisje met een nagelvijl te beschadigen; ze zouden buitenechtelijke dochters zijn van een curiekardinaal; ze zouden leraressen zijn die ontslagen waren omdat ze tienerjongens hadden verleid, of meisjes volgens weer andere bronnen. De waarheid, denk ik, is dat het gewoon meisjes van het platteland zijn die zo veel mogelijk geld willen verdienen op de manier die hun het beste uitkomt.
Afgezien van de vier fulltimers is er een aantal parttimers: studentes aan de universiteit of het taleninstituut die extra geld nodig hebben; meisjes die verslaafd zijn aan heroïne en die zich alleen laten naaien door de stomste arbeiders en toeristen; en meisjes met jonge kopjes van het platteland, die op zaterdagmiddag naar de stad komen om te winkelen bij de boetiekjes aan de Corso, met hun vriendje een aantal bars te bezoeken, om ten slotte de kosten van de dag terug te verdienen door voor jonge mannen uit de stad de kleren die ze net gekocht hebben weer uit te trekken.
Mijn twee favorieten zijn allebei studentes. Clara is eenentwintig, Dindina negentien.
Clara’s familie woont in Brescia. Haar vader is boekhouder, haar moeder werkt bij een bank. Ze heeft twee broers, die op school zitten. Ze studeert Engels en geniet van onze samenkomsten, waar ze dan de kans heeft om haar talenkennis op mij uit te proberen. En die is sinds we elkaar voor eerst ontmoetten inderdaad met sprongen vooruitgegaan. Ze is een mooi meisje van een meter vijfenzestig met kastanjebruin haar, donkerbruine ogen en lange, gebruinde benen. Haar rug en schouders zijn slank, haar billen zijn klein, maar mooi rond. Haar borsten zijn niet om over naar huis te schrijven, en ze draagt vaak geen beha. Ze heeft een zeker raffinement, want ze komt uit het noorden van het land.
Dindina is haar exacte tegendeel. Zij is een meter zestig en arrogant, en haar haren en ogen zijn zo zwart als die van een negerin, ze heeft stevige borsten en een strakke, gladde buik. Haar benen lijken langer dan de rest van haar lichaam – Gherardo zegt dat ze zo’n meisje is bij wie de benen in hun oksels beginnen. Ze is niet zo mooi als Clara en ook niet zo slim. Ze studeert sociologie. Dindina zegt dat Clara een snob uit het noorden is. Clara zegt van Dindina dat ze een boerin uit het zuiden is. Haar familie heeft een boerderijtje met een olijfboomgaard van paar hectare tussen Bari en Matera.
Ze werken niet elke avond. Net als ik houden ze zich niet aan een schema.
Als minstens een van hen aanwezig is, blijf ik soms. Zo niet, dan drink ik een biertje met Maria en vertrek. Voor de anderen heb ik geen belangstelling.
Soms zijn ze er allebei, en dan maak ik van hun beider diensten gebruik.
Ik ben geen jongeman meer, moet u weten. Ik zal niet zeggen hoe oud ik precies ben. U mag ervan uitgaan dat het vuur nog niet gedoofd is maar af en toe wel een beetje opgepord moet worden om het water aan de kook te brengen. Zoals die kloterige kolenkachel destijds in mijn huisje in Engeland.
Een triootje kan soms dolle pret zijn. Dan boek ik de grootste kamer van het huis, op de bovenste verdieping, met uitzicht op de smalle straat. In de kamer staat een twee meter breed hemelbed, een kaptafel, een manshoge spiegel en een paar windsorstoelen. We kleden elkaar langzaam uit. Clara zal niet toestaan dat Dindina haar ontkleedt, dus doe ik het. Dindina is niet zo kieskeurig. Misschien is Clara inderdaad een snob: ze is misschien afgunstig op Dindina omdat zij grotere borsten heeft. Met z’n tweeën kleden ze mij uit.
‘Je bent dikker geworden,’ zegt Clara elke keer weer.
Ik ontken het.
Ik schaam me niet voor mijn lichaam. Door de noodzaak gedwongen heb ik door de jaren heen mijn conditie op peil gehouden. Als ik moest reizen, verbleef ik altijd in hotels waar voor de gasten een sauna en fitnessruimte beschikbaar waren. In Miami had ik een kamer met een eigen fitnessruimte. Als dat soort voorzieningen er niet zijn, jog ik. En in de bergen is jagen op vlinders een goede oefening.
‘Je eet te veel pasta. Je zou moeten trouwen met een vrouw die je op dieet zet. Met…’ – ik hoor er een verlangen in doorklinken – ‘… een jonge vrouw, die een beetje op je let. Misschien is Italië niet goed voor je. Misschien moet je ergens naartoe waar ze geen pasta hebben en de wijn duur is.’
Dindina zegt niets. Zij komt liever meteen ter zake. Wij gaan op het bed liggen. Het raam staat open en het licht van de straatlantaarn priemt door de spleten van de gesloten luiken. Clara is dan wel de eerste die wat tegen me zegt, maar Dindina streelt me dan al over mijn buik of laat haar vingers door mijn borsthaar gaan. Ze kust mijn tepels en zuigt en knabbelt eraan als een muis aan een koekje.
Clara kust me op de lippen. Ze zoent heel zacht, zelfs op het hoogtepunt. Ze dwingt haar tong niet met kracht in mijn mond zoals Dindina doet, maar laat hem er als vanzelf in glijden. Ik merk het nauwelijks, totdat ze mijn eigen tong raakt.
Dindina komt als eerste op me liggen. Ze vlijt zich tegen me aan en knabbelt nu aan mijn oorlelletjes. Clara legt haar hand op Dindina’s billen, laat haar vingers tussen haar benen glijden en streelt zowel mijn benen als die van Dindina. Ik bedenk hoe raar het is dat Clara zich niet door Dindina laat uitkleden, maar haar wel streelt en zich ook door haar laat strelen.
Ik kan me met mijn manier van leven niet veroorloven om emotioneel te worden. Gevoelens wekken gedachten op, en gedachten geven aanleiding tot wantrouwen, twijfels en onzekerheden. Ik heb er veel tijd in gestoken om mijn gevoelens te leren beheersen, en dat loont nu. Ik laat mezelf bij Dindina niet klaarkomen. Dat weet ze, en ze accepteert het. Als ze zelf klaarkomt, glijdt ze van me af en neemt Clara haar plaats in.
Met Clara is het anders. Met Clara gaan alle remmen los.
Ik laat me gaan, ik geef het toe. Een van de weinige keren dat ik het mezelf toesta.
Na afloop liggen we uit te hijgen, om vervolgens weer wat met elkaar te spelen, maar nu is de noodzaak niet zo heftig. Om een uur of tien ongeveer – ik hou de klok niet in de gaten – kleden we ons aan en neem ik hen mee naar een pizzeria aan het einde van de Via Roviano. We moeten twee flessen wijn bestellen, want Clara drinkt chiaretto di Cellatica, omdat die uit het noorden komt, uit haar geboortestreek Lombardije, terwijl Dindina een colatamburo wil, omdat die afkomstig is uit Bari. Ik neem van elk een glas. Dindina eet haar pizza napoletana zoals ze de liefde bedrijft – zakelijk en zonder tijd te verspillen aan de conversatie. Ze is iemand van de daad. Clara neemt een pizza margherita en praat veel. Ze praat Engels. Het gaat over koetjes en kalfjes, maar na het vrijen praat je tenslotte liefst niet over de belangrijke gebeurtenissen in het nieuws.
Als we uitgegeten zijn, geef ik de meisjes hun geld. Ze doen niet bepaald geheimzinnig over het feit dat ze van mij geld aannemen. Als we de pizzeria verlaten, kust Dindina me zoals ze haar oom zou kussen.
‘Buona sera,’ fluistert ze zacht, dicht bij mijn oor.
Ik glimlach en kus haar op mijn beurt zoals een oom haar zou kussen.
Clara kus ik ook, maar haar kus ik als een minnaar. Ze legt haar armen om mijn nek, drukt haar lippen op de mijne en knuffelt me. Ze smaakt naar oregano, knoflook en zoete rode wijn. Elke keer als we elkaar kussen in de Via Roviano, denk ik aan het gebottelde bloed van Duillio.
In de laatste momenten van de avond roert Clara altijd twee onderwerpen aan. Het eerste is wat ze zal gaan doen met het geld. Alsof ze het neuken moet goedmaken met iets tastbaars.
‘Ik ga een boek kopen – An Unofficial Rose van Iris Murdoch.’ Of ze zegt: ‘Ik ga een nieuwe vulpen kopen. Een Par-ker.’ Als ze een woord niet kent of er onzeker over is, spreekt ze het in de afzonderlijke lettergrepen uit. Soms zegt ze bijna beschaamd: ‘Nu kan ik mijn huur betalen.’
Het tweede is altijd een poging om te ontdekken waar ik woon.
‘Neem me mee naar je huis. Dan doen we het nog eens. Zonder Dindina erbij. Gratis! Gewoon uit liefde.’ Een andere benadering is: ‘Je zou niet alleen moeten leven. Je bed moet op lichaamstemperatuur zijn.’ Dit is een voortzetting van de zorgzame-vrouw/eet-minder-pasta-list.
Dat weiger ik altijd vriendelijk maar beslist. Soms beschuldigt ze me ervan dat ik al een vrouw heb, een oude tang die met haar benen over elkaar slaapt. Ik ontken het, en ze weet dat dit de waarheid is. Ze is geen professionele hoer, maar ze heeft wel het bijbehorende instinct. Misschien hebben alle vrouwen het. Ik ben niet de aangewezen persoon om dat te weten.
Ik woon ten oosten van het bordeel, slechts een paar straten ervandaan, maar voor alle zekerheid loop ik in noordelijke richting. Clara gaat naar het westen, naar haar kamer in de buurt van de kazerne. Pas als ik weet dat ze uit het zicht is, loop ik terug. Ze heeft maar één keer geprobeerd me te volgen, en toen was het een peulenschil om haar te lozen.
==
Ik kijk in mijn aantekeningen – negentig meter. Een behoorlijke afstand, zou je zeggen, maar een kogel legt die in een mum van tijd af, en in die korte tijdspanne neemt de geschiedenis een wending. Hoe vaak is de geschiedenis niet in zo’n vluchtig moment ingrijpend veranderd? Hoe lang had die geweerkogel ervoor nodig om van een bovenverdieping van de Texas School Book Depository de nek van John F. Kennedy te bereiken? Hoe lang had het volgende schot nodig om zijn schedel te doorboren? Het zijn uiterst korte momenten, waarin de wereld op zijn grondvesten schudt, waarin de mens in zijn bestaan bedreigd wordt en het politieke toneel voor altijd verandert.
Als ik in de loggia zit en de laatste lichtstralen wegsterven, zodat het lijkt alsof er aan alle leven een einde komt, denk ik vaak aan de tweede man, de man die daar op het heuveltje op Dealey Plaza onder de bomen stond, de ware engel des doods, want Oswald was niet meer dan een aanslagpleger. Hij moet gevuurd hebben. Alle rapporten bevestigen het. Hij lijkt het doel niet te hebben getroffen. Maar misschien ook wel, en was Oswald maar een onnozele hals en een beroerde schutter. Wie zal het zeggen? Maar er is iemand die het weet.
Het wapen moet licht zijn en tamelijk klein, gemakkelijk in elkaar te zetten en uit elkaar te nemen. Het moet, voor het doel waarvoor het gebruikt gaat worden, een grote reikwijdte en vuurfrequentie hebben. Vijf seconden geeft mij de indruk dat het mogelijk om een snel bewegend doel gaat. En het geluid moet gedempt worden.
Ik denk de hele dag over het probleem na, op de kruk voor de tekentafel, en later als de zon ondergaat zittend in de loggia. Het is geen gemakkelijke opgave als je maar drie weken hebt.
Uiteindelijk kies ik voor een aangepaste Socimi 821. Die heeft al een geluiddemper, maar die zal ik niet gebruiken. Er zal een andere gemaakt moeten worden. Mijn klant is niet het type van ‘schiet maar in het wilde weg dan zien we wel hoeveel er raak zijn’, maar eerder iemand als ik, die op de details let. Vandaar ook de eis van een telescopisch vizier.
De Socimi is een Italiaans wapen, gemaakt door de Società Costruzioni Industriali Milano. Het is een betrekkelijk nieuw ontwerp, voor het eerst in 1983 op de markt gekomen en gebaseerd op het Israëlische uzi-machinepistool, het lievelingswapen van kapers, overvallers en aanslagplegers vanaf de buddyseat van een motorfiets. Het heeft hetzelfde type inschuifbare grendel en hetzelfde veiligheidsmechanisme, en ook hier zit de patroonhouder in de handgreep. De behuizing, die rechthoekig is, het omhulsel van de loop en de greep van het pistool zijn van een lichte legering, niet van geschutbrons of staal. Je kunt er een laservizier op zetten. Het wapen heeft een korte loop, zodat het niet echt bestemd is om loepzuiver te richten en niet ideaal is voor een doel veraf. Het is met ingeklapte patroonhouder slechts 400 mm lang en weegt slechts 2,45 kg. De 200 mm lange loop heeft zes groeven met een draai naar rechts. De patroonhouder bevat tweeëndertig patronen 9 mm parabellum. De vuurfrequentie is 600 per minuut en de snelheid bij het verlaten van de loop is 380 meter per seconde, die echter door de geluiddemper aanzienlijk verminderd wordt. Dat is een probleem waarvoor ik een oplossing moet zien te vinden.
Ik zie maar één manier om dit probleem te omzeilen. De loop moet langer gemaakt worden, maar in plaats van er een demper op te zetten die de snelheid vermindert, zal ik er een geluiddemper op zetten zoals de Amerikanen die gebruiken bij de Ingram Model 10. Deze dempt het geluid van de explosie, maar niet dat van het schot zelf. De snelheid van de kogel bij het verlaten van de loop blijft daardoor onaangetast. De knal die de kogel maakt blijft hierdoor hoorbaar, maar het is moeilijk om de positie van waaruit gevuurd wordt te bepalen.
Ik zou de vijf volle seconden vuurtijd wel zoveel als in mijn vermogen ligt willen benaderen voor mijn cliënt. Dus moet de patroonhouder groter worden. Tien patronen per seconde gedurende vijf seconden betekent een patroonhouder die vijftig patronen kan bevatten. Dat moet voldoende zijn – bij zestig zou hij te groot worden en de balans van het wapen verstoren.
Een langere loop betekent veel luisteren naar Bachs toccata en fuga in d mineur. De rest moet vrij eenvoudig zijn.
Ik heb in mijn loopbaan wel wapens helemaal vanaf de grond zelf moeten opbouwen – het ijzer kopen, smeden en bewerken, de loop trekken en het mechanisme ontwerpen. Aan zo’n klus heb ik me destijds ver van de bewoonde wereld in de buurt van de luchthaven Kai Tak in het zweet gewerkt. Niet alleen moest ik het wapen zelf opbouwen, ik moest het ook vermommen als een koffertje.
Het was een meesterstukje, al zeg ik het zelf. De kolf diende als handvat, de loop was de klep, die om de patroonhouder scharnierde. Het cijferslot functioneerde niet als zodanig maar herbergde het vuurmechanisme. Het heeft verscheidene douanecontroles gepasseerd. Ik heb het zelf naar Manilla gebracht. Het pistool is drie keer gebruikt, elke keer met succes, en elke keer in een ander land. Ik begrijp dat het nu in het fbi-museum of iets dergelijks ligt. Het was natuurlijk in de tijd dat er op luchthavens nog geen strenge controles met röntgenstraling plaatsvonden. Door alle vliegtuigkapingen is het leven wat dat betreft voor mij een stuk moeilijker geworden.
Daardoor verbaast het me ook dat mijn cliënt zich niet bezorgd lijkt te maken om dat risico. Het is duidelijk dat het wapen zal worden gebruikt op het vasteland van Europa of op een andere plek die zonder vliegreis goed bereikbaar is.
Terwijl ik aan mijn werkbank zit en het plaatstaal voor de extra lange patroonhouder zorgvuldig buig, vraag ik me af wie het doelwit zal zijn. Met dit soort gedachten vul ik de lange minuten waarin ik met mijn handen bezig ben maar mijn hersenen niet nodig heb.
Het meest waarschijnlijke doelwit is volgens mij Arafat of Sharon. Als dat het geval is, moet mijn cliënt werken in opdracht van een overheid. Ik heb in het verleden wapens gemaakt voor freelancers in dienst van de Amerikanen, de Fransen en de Britten. Maar ik waak ervoor om te werken voor mensen die gewoon op de loonlijst staan bij een overheid.
Khaddafi zou het doelwit kunnen zijn, of elk Europees staatshoofd of zelfs een bezoekend staatshoofd. De Britse premier zou een voor de hand liggende kandidaat zijn: in veel kringen, en bepaald niet allemaal buitenlands of per se anti-Brits, wordt ze zo gehaat dat er heel goed een aanslag op haar gepland kan zijn. Als het lukt, zou op veel plekken een onderdrukt gejuich klinken. De Duitse bondskanselier is ook een mogelijkheid. Zijn hele kabinet, trouwens. Andreas Baader mag dood zijn, zijn idealen leven.
Ik heb Baader alleen die ene keer ontmoet. Hij werd in de winter van 1971 in Stuttgart aan me voorgesteld door ene Iain MacLeod, een Brit. Hij was een stille man met het uiterlijk van een door velen beminde revolutionair. Hij had dikke, borstelige wenkbrauwen en een verzorgde snor. Zijn haar was kortgeknipt. Hij zag eruit als een Duitse Che Guevara. In zijn ogen straalde het vuur van de overtuiging zoals je dat ziet bij monniken en revolutionairen, de glans van de ideologische zekerheid, het inwendige vuur van hen die zeker weten dat de koers die ze volgen de juiste is.
Bij veel van mijn opdrachtgevers brandt dit vuur. Het verteert hen. Het is voor hen een stimulerend middel, het is als seks, als de lucht die ze inademen. Je kunt hen vergiftigen, doodschieten, opblazen, verdrinken of ze van een rots gooien, maar zelfs als hun stoffelijk overschot in de aarde wordt gestopt of hun as op de wind wordt verstrooid, zal hun overtuiging als een veenbrand voortwoekeren. De mens is sterfelijk, maar zijn idealen niet. Een idee is niet uit te roeien.
==
Ik ben een goede wapenmaker. Een van de beste ter wereld. In mijn wereld in elk geval. Ik noem mezelf geen wapensmid – dat doet te veel denken aan een ambacht. Ik ben geen ambachtsman. Ik ben een kunstenaar. Ik modelleer een wapen met net zoveel zorg voor de vorm en aandacht voor het detail als een meubelmaker een mooi meubel. Een schilder investeert niet meer van zichzelf in een schilderij dan ik in een vuurwapen.
Dat ik er ooit toe ben gekomen deze kwaliteit te ontwikkelen, was puur toeval. Ik heb er nooit naar gestreefd met wapens te werken en ik heb nooit gedacht dat ik in de wapenbranche terecht zou komen. Het begon ermee dat ik weleens iets deed voor een van de andere kleine criminelen in het dorp, dat toppunt van alles wat banaal is in de wereld. Hij was een van de weinigen die weleens een gesprek met me begon over iets anders dan over de vraag hoe laat het was of over het weer. Misschien wist hij of voelde hij aan dat ik meer in mijn mars had dan theepotten repareren. In mijn wereld voel je soms bijna instinctief aan dat je te maken hebt met een geestverwant.
Hij heette Fer en was een jaar of zestig. Ik heb nooit kunnen ontdekken hoe hij aan die naam kwam – misschien was het een afkorting van Fergus, of van Ferguson. Maar het kan net zo goed Farquarson zijn geweest. Hij was een buitenechtelijk kind en veroordeeld tot een armoedig leven. Hij woonde in een boomgaard een mijl buiten het dorp in een vervallen Bedford met banden waar niet veel meer van over was en tegen het plaatwerk welig tierend gras en zuring, maar zonder radiateur en motorkap, terwijl de helft van de motor ontbrak. Op de plaats van de versnellingsbak stond een al forse scheut van een jong boompje, die inmiddels wel door het roestige casco heen zal zijn gegroeid.
Fer was de buurtstroper. Hij hield fretten in de cabine van het busje, en zelf woonde hij achterin met een zwarte herdershond die Molly heette. ’s Winters kon je altijd bij hem terecht voor fazanten, konijnen en soms ook hazen of een enkel hert. ’s Zomers leverde hij duiven aan de Chinese restaurants in de omgeving. Hij kon je in de zomer ook forellen leveren, en in de herfst zalm, als het water goed doorstroomde. Buiten het seizoen werkte hij als houthakker en kapte hij bomen of dunde hij bossen uit, waarvoor hij zich liet betalen in houtblokken, die hij op een parkeerplaats langs de hoofdweg per zak verkocht. Hij had een bijl die zo scherp was dat je je er bij wijze van spreken mee kon scheren, en een tweemanszaag kon hij in zijn eentje aan. Hij bezat een soort boerenslimheid en een geweer.
Het wapen was een side-by-side kaliber twaalf. Het was geen Purdey of Churchill, niets bijzonders, geen bijbehorende koffer van teakhout gevat in koper met een filigraan slot en met fluweel beklede vakken. Het was gewoon een geweer dat het goed deed. Fer hield het in optimale staat, maakte het vaak schoon en oliede en poetste het met toewijding. Hij besteedde er meer aandacht aan dan aan zijn hond Molly, de fretten, het busje en zichzelf. Maar al zorg je er nog zo goed voor, ook beminde voorwerpen geven er weleens de brui aan. Op een avond in het najaar barstte de geleideplaat van de connector en kwam hij naar mij toe.
Zijn excuus was dat het een oud geweer was waarvan geen onderdelen meer verkrijgbaar waren en dat hij het zich niet kon veroorloven om een ander te kopen. De waarheid was dat hij er geen vergunning voor had en dat de herkomst waarschijnlijk dubieus was. Fer kon het risico niet nemen ermee naar een officiële wapenhandelaar te gaan.
Ik stemde ermee in om in het diepste geheim het euvel te verhelpen. Het kapotte onderdeel was makkelijk na te maken. Hij wilde me er geld voor geven, maar ik stelde voor dat hij me zou betalen met een paar fazanten.
In mijn werkplaatsje haalde ik het geweer uit elkaar. Ik was als een kind dat een uurwerk uit elkaar mag halen. De manier waarop de onderdelen in elkaar grepen, waarop het metaal precies op elkaar paste, de kettingreactie van het overhalen van de trekker tot aan de explosie fascineerde me. Ik had maar één dag nodig voor de reparatie. Fer betaalde me met zoveel vis en wild dat ik daar voor drie maanden genoeg aan had. Hij kwam altijd na donker bij me langs en zei ‘sir’ tegen me.
Een jaar later vroeg een kennis hetzelfde van me. De klus leek op die met het geweer van Fer, behalve dat het mankement in dit geval met de linker slagpin te maken had en dat de lopen op dertig centimeter waren afgezaagd.
Om in mijn branche een vakman te worden, kun je niet terecht bij het volwassenenonderwijs, en er zijn geen avondopleidingen in. Het is iets anders dan boetseren, pottenbakken of macrameeën. Het is de choreografie van het plaatstaal. Je bent altijd autodidact.
Stelt u zich een vuurwapen voor. De meeste mensen zien het uitsluitend als schiettuig. Er klinkt een knal en er valt iemand dood neer. Ze weten dat er een kogel uitkomt die door de lucht schiet. Ze weten dat er patronen van koper, karton of kunststof in zitten, die na het schot leeg en rokend achterblijven. Ze weten dat er een trekker aan zit, die daarvoor zorgt. Maar afgezien daarvan kijken ze er net zo naar als koppensnellers in het oerwoud: het is een vuurstok die spreekt met de stem der goden, een donderbus, een speer die geen werper nodig heeft, een bliksembuis. Ze denken dat je niets anders hoeft te doen dan de trekker overhalen. Haal de trekker over, en het doel wordt getroffen. Ze kijken te veel naar misdaadfilms, ze geloven alles wat ze zien in films waarin geen politieagent of cowboy ooit ontbreekt, waar de kogels keurig rechtuit vliegen, precies zoals het draaiboek voorschrijft.
Maar leven en dood houden zich niet aan draaiboeken.
Een vuurwapen is een mooi ding. Het is niet zo dat het patroon vanzelf ‘boem’ doet als de trekker met een klik naar achteren gaat. Door die beweging wordt met de precisie van een Zwitsers horloge een aantal hefboompjes, veertjes en palletjes overgehaald. Elk element moet met de kleinst mogelijke afwijking gevormd worden, en van de maker wordt dezelfde nauwkeurigheid gevergd als van een neurochirurg die in hersens snijdt. Elk onderdeeltje moet precies aansluiten op het naastliggende, en bij de kleinste afwijking, al is het maar een honderdste van een millimeter, zal de reeks van verwachte bewegingen zich niet voltrekken en weigert het mechanisme.
Slechts één keer heeft een door mij gemaakt wapen geweigerd. Het is al een tijd geleden, een jaar of twintig. Het wapen was een geweer, niet gemaakt naar het voorbeeld van een bestaand ontwerp, maar helemaal door mijzelf bedacht. Ik had alles zelf gemaakt, de loop zelf getrokken en de schroefdraad aangebracht. Ik was zo dom en zo arrogant om te denken dat ik een ontwerp kon verbeteren dat zich in een halve eeuw van oorlogen, aanslagen, moorden en opstanden had bewezen.
Het diende gebruikt te worden voor een van de weinige niet-politieke aanslagen waarvoor ik een wapen heb geleverd en tevens een van de weinige aanslagen waarvan ik tevoren op de hoogte was.
In feite was de aanslag zelf eigenlijk wél politiek – het motief was het niet. Het doelwit was een Amerikaanse multimiljonair en eigenaar van diverse internationale farmaceutische bedrijven, kranten, televisiestations, een keten van internationale hotels en een paar luchtvaartmaatschappijen. Hij stond ook bekend als een belangrijke filantroop, die ontwenningsklinieken schonk aan armlastige Amerikaanse steden. Ik zal zijn naam niet noemen. Hij leeft nog, wat hij te danken heeft aan mijn tekortschieten, al weet hij dat niet.
Ik woonde destijds op Long Island en kreeg het verzoek om een nummer in New Jersey te bellen. Het verzoek kwam van een Amerikaanse advocaat, een maffia-advocaat uit Manhattan, voor wie ik in het verleden weleens wat had gedaan. Zijn briefje waarin hij mij het contact aanbood was kort. Ik herinner me het nog goed. Beste Joe, was de aanhef: hij sprak me altijd aan als Joe – de ultieme anonieme naam. Dat was maar goed ook. Het is een onervaren knaap, maar laat hem zijn verhaal doen, wil je? Hij is pas achttien, maar hij is geen boef. Oordeel niet over hem totdat je zijn hele relaas hebt gehoord. Ik besef dat je de klus liever niet zou doen, maar misschien wil je er om mij een plezier te doen tenminste over nadenken? Het geld zit goed – het ligt bij mij al op je te wachten. Larry.
Hij heette natuurlijk niet werkelijk Larry of Lawrence of iets dergelijks. Ook dat was maar goed ook.
Een verzoek van Larry was zoiets als een bevel van de koningin van Engeland. Hij was een man van invloed, die ik dit niet kon weigeren. Dus ik belde die jongen en luisterde naar zijn verhaal, uit respect voor mijn vriend de advocaat en met gerede twijfels over de klus.
De jongen wilde zijn vader laten vermoorden. En hij stond daarin niet alleen, het was ook de uitdrukkelijke wens van zijn moeder. De man, zo kreeg ik te horen, had niet alleen kwaliteiten als leider van multinationale ondernemingen maar ook als vrouwenversierder. Zijn seksuele veroveringen, die hij tegenover zijn vriendjes betitelde als overnames, waren zeer talrijk, vertelde de jongen me. Bij een van die vele ‘overnames’ had hij echter syfilis opgelopen, en daarmee had hij ook zijn vrouw besmet.
Het motief was begrijpelijk, maar ik had er nog steeds geen zin in om zo’n opdracht aan te nemen, ook al was het voor mijn vriend. Ik wilde niet de naam krijgen dat ik beschikbaar was als hulpje van iedereen die een aanslag wilde plegen. Daar had ik niets aan.
De jongen, die iets van de sluwheid van zijn vader moest hebben geërfd, voelde zelfs over de telefoon mijn terughoudendheid.
‘U hebt er geen zin in,’ zei hij.
Hij sprak met een deftig Bostons accent. Ik vroeg me af of hij gestudeerd zou hebben aan Harvard Business School – hij had er in elk geval de stem voor.
‘Dit is iets anders dan wat ik normaal doe,’ beaamde ik.
‘Larry zei al dat u zo zou reageren. Maar er zijn meer redenen. Ik stuur ze u toe. Belt u me dan weer.’
Binnen een uur werd er per koerier een envelop bezorgd. Deze bevatte een aantal documenten, fotokopieën van rapporten aan de Amerikaanse regering, allemaal met het stempel ‘geheim’ en allemaal hadden ze betrekking op Latijns-Amerika. Er zaten ook drie foto’s bij. Op een daarvan stond de te doden man met een rebellenleider die bekendstond om een ideologie waarin genocide een rol speelde, op de tweede foto stond hij met een bekende drugsbaron, en de derde was een zeer compromitterende foto van het toekomstige doelwit terwijl hij op de rand van een zwembad een mooi meisje aan het neuken is. Ik belde het nummer opnieuw.
‘Die ontwenningsklinieken financiert hij met drugs, en dat meisje heeft mijn moeder die sief bezorgd,’ deelde de jongen me botweg mee.
Hij zweeg, en ik hoorde gezoem op de lijn. Ik keek naar de foto’s naast de telefoon op mijn bureau. Ik dacht dat ik hem zachtjes hoorde snikken en had met hem te doen.
‘Heeft u er iemand voor in gedachten…?’ begon ik.
‘Larry weet iemand,’ zei hij, en zijn stem haperde even.
‘Ik snap het. En wat wilt u precies van mij? ‘
‘De spuit,’ zei hij.
Ik vond het vreemd klinken, een gangsterterm uitgesproken met zo’n deftige stem.
‘Ik kan het doen. Maar ik moet de man spreken die het gaat doen. Ik moet weten wat voor eisen hij heeft.’
‘Een geweer met een lange loop en een telescopisch vizier erop – dat hoeft u niet te leveren – en automatisch.’
‘Een goede schutter heeft maar één kogel nodig,’ merkte ik op.
‘We willen het meisje ook uit de weg geruimd hebben.’
Ik knikte. Zo was de menselijke natuur.
‘Goed,’ zei ik. ‘Ik zal Larry bellen en hem zeggen dat ik het aanneem. Hij zal contact met mij moeten opnemen voor de levering en de betaling. Maar u moet begrijpen dat ik dit niet doe omdat ik u of uw moeder wil helpen. Ik doe geen opdrachten uit motieven als wraak of vergelding. Uw moeder had verstandiger moeten zijn bij het kiezen van een echtgenoot, zo denk ik erover.’
‘Ik begrijp het,’ zei hij. ‘Larry zei al dat dit uw houding zou zijn.’
‘Larry zal vast ook gezegd hebben dat als u me de envelop toestuurt, de deal gesloten is als de inhoud in orde is,’ vervolgde ik.
‘Ja, dat zei hij,’ beaamde hij, en hij hing op.
Ik heb het geweer gemaakt. Het was niet te traceren. Geen cijfers, geen kenmerken, geen onderdelen die massaal geproduceerd waren. Ik heb het getest. Het werkte goed. Ik vuurde er twaalf schoten in zes seconden mee af, precies de verlangde vuursnelheid.
Toch heeft het op de bewuste dag geweigerd. Ik kan de storing niet verklaren, maar omdat ik een professional ben, accepteer ik dat het mijn verantwoordelijkheid was.
De man werd niet gedood. Alleen maar aangeschoten – een schot in zijn schouder en nog een in zijn lever. De aanslagpleger had twee schoten in het hoofd moeten vuren. Het probleem was dat het doelwit vlak bij het zwembad zat en er meteen na het eerste schot indook. Het tweede schot werd afgebogen door het water en kwam in zijn zij terecht. Het derde en laatste stuitte af op de betonnen rand om het zwembad. Het meisje was wel morsdood. Degene die de aanslag had gepleegd tegen de lijfwachten had geen verweer en is doodgeschoten. Hij had geen reservewapen bij zich, wat dom was.
Larry was boos, maar ik heb evengoed mijn geld gekregen. Hij dacht niet dat het vastlopen van het wapen mijn schuld was. Hij veronderstelde dat de huurmoordenaar er iets mee had gedaan, had geprobeerd het aan te passen. Maar ik weet beter. Ik heb de klus te gehaast gedaan, ik had mijn aandacht er niet helemaal bij en ben niet zorgvuldig genoeg geweest. De mislukking was ontegenzeggelijk mijn schuld. Ik heb er altijd spijt van gehad.
==
In Galeazzo’s tweedehandsboekwinkel ruikt het naar stof en kaakjes. Het is er klein en propvol. De boeken staan in stapels op de vloer en op de tafels. De planken staan er vol mee, en op de rechtopstaande boeken liggen nog meer delen. De vloerplanken kraken onder je voeten. Als de plafondbalken in de kelder niet gemaakt waren van kastanjestammen uit de bergen met een doorsnee van veertig centimeter, zou de winkel allang zijn ingestort. Op de eerste verdieping staan de boeken ook hoog opgestapeld; de minder courante voorraad. Galeazzo woont in een appartement van twee verdiepingen daarboven.
Hij is ongeveer van mijn leeftijd en hij heeft grijs haar en de wat gebogen houding die hoort bij een boekhandelaar. Hij is weduwnaar, die voor de grap beweert dat zijn vrouw verpletterd is onder een lading boeken. De waarheid – Giuseppe heeft het me verteld: hij had het in een krant gelezen die op de wind door de straat werd geblazen – is minder grappig en net zo bizar. Ze was op familiebezoek in Sulmona toen die plaats door een aardbeving werd getroffen. Een balkon op de derde verdieping brak af, en een motorfiets die daarop stond viel naar beneden, net op het moment dat zij wegrende om midden op straat een veilig heenkomen te zoeken. Ze was op slag dood. Het was een keurig nette, correcte dood – niets op aan te merken.
Het bijzondere is dat zijn voorraad niet beperkt is tot boeken in het Italiaans. Bijna elke Europese taal is bij Galeazzo in redelijke hoeveelheden vertegenwoordigd. Net zo opmerkelijk is de winkel zelf. Italianen beroemen zich niet op het bezit van tweedehandsspullen. Kijk op het Italiaanse platteland maar om je heen naar de huizen die op het punt van instorten staan, naar de ruïnes waar degelijke en zelfs mooie huizen van gemaakt zouden kunnen worden als men de moeite zou nemen ze te renoveren. De kans is echter groot dat je daar vlakbij het betonnen skelet van een moderne flat ziet oprijzen. En als de Italianen al liever nieuwe huizen hebben dan oude, kun je wel vergeten dat ze oude boeken zouden willen kopen.
Toch houdt Galeazzo er een redelijk inkomen aan over. Hij stuurt elk kwartaal zijn catalogus rond aan de mensen op zijn verzendlijst, onder wie veel hoogleraren, en per kerende post ontvangt hij dan bestellingen. Hij heeft zelfs klanten in Groot-Brittannië, Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten, vertelt hij. De Amerikanen willen graag boeken lezen over hun land van oorsprong en zijn op zoek naar hun Italiaanse roots. De Britten vragen naar boeken in het Engels over Italië. De professoren zijn geïnteresseerd in folklore, middeleeuwse religieuze boeken en regionale architectuur.
Galeazzo spreekt behoorlijk Engels, en hij en ik kunnen het goed met elkaar vinden. Soms gaan we in de Conca d’Oro-bar zitten en praten we over boeken. Hij kijkt voor mij uit naar boeken over vlinders en heeft me een aantal waardevolle edities verkocht die geïllustreerd zijn door veel betere kunstenaars dan ikzelf. Daaronder zijn verschillende negentiende-eeuwse uitgaven met fraaie handgekleurde gravures.
‘Waarom woon je eigenlijk in Italië?’
Het is een vraag die hem vaak over de lippen komt. Meestal reageer ik niet verbaal en haal ik alleen mijn schouders op zoals Italianen dat doen en trek een grimas.
‘Je zou eigenlijk moeten verhuizen naar…’ Elke keer valt er dan een stilte en probeert hij een nieuw, nog niet eerder genoemd land te bedenken. ‘… Indonesië. Daar zijn veel bossen, veel vreemde reptielen. En veel vlinders. Waarom schilder je Italiaanse vlinders? Italiaanse vlinders kent iedereen.’
‘Niet waar,’ werp ik tegen. ‘Neem nou het genus Charaxes – Charaxes jasius. Elders in Europa nauwelijks bekend, maar in het verleden zag je ze veel aan de Middellandse Zeekusten en in Italië, op plaatsen waar de aardbeiboom groeit. De Danaidae zijn zelfs voor het eerst hier waargenomen. Honderd jaar geleden, dat moet ik erbij zeggen, maar ik vind misschien nog andere. De monarchvlinder bijvoorbeeld. De zeldzame Danaus chrysippus.’
‘Klein grut. Je zou naar Java moeten gaan.’ Hij spreekt het uit als Jarva, alsof het een joods feest is. ‘Daar zijn vlinders zo groot als vogels.’
‘Ik woon in Italië omdat de wijnen er goedkoop zijn, de vrouwen mooi en de huren laag,’ zeg ik vertrouwelijk tegen hem. ‘Op mijn leeftijd zijn zulke dingen belangrijk. Ik heb geen pensioen.’
Hij schenkt weer wijn in, lacrima di Gallipoli. Mijn glas staat in wankel evenwicht op een Everyman-uitgave van Darwins Voyage of the Beagle, die Galeazzo gelezen heeft en goed kent. Zijn glas staat in wankel evenwicht op een uitgave van het dagboek van Ciano, ook in het Engels. Hij beweert te zijn vernoemd naar graaf Ciano, maar volgens mij is dat romantische kletskoek. De wijn koopt hij tijdens de reizen die hij naar de regio Apulië maakt om boeken in te kopen. Ergens in de hak van de Italiaanse laars kent hij een bibliotheek waar hij van tijd tot tijd boeken uit mag meenemen. Ik probeer uit te vissen waar hij dit schijnbaar eindeloze aanbod van uitgaven in allerlei talen heeft gevonden – waardoor hij kan afstappen van het onderwerp vlinders, waar ik maar net genoeg van weet om de ondeskundige toehoorder om de tuin te kunnen leiden. Als je mij in een kamer zou opsluiten met een amateurlepidopterist, zou ik al na een paar minuten door de mand vallen.
‘Waar haal je je boeken vandaan?’ vraag ik voor de zoveelste keer. ‘Je verbaast me elke keer weer met die enorme verscheidenheid.’
Hij glimlacht geheimzinnig en tikt met zijn plastic balpen op zijn slaap. Het geluid doet me denken aan dat wat Roberto maakt als hij een watermeloen keurt.
‘Dat zou je wel willen weten, hè! Maar denk je dat de eigenaar van een diamantmijn zijn vrienden zal vertellen waar die is? Natuurlijk niet.’ Hij neemt een slokje van zijn wijn.
Het voetje van het glas heeft een ring op het stofomslag van het dagboek achtergelaten. ‘In het zuiden. Het verre zuiden. In de bergen. Bij een oude dame, zo oud als de schoonmoeder van Methusalem, en net zo lelijk. Ze heeft niets. Alleen een paar hectare perzik- en wat olijfbomen, net genoeg om haar eigen olie te persen. Troebel spul, die olie van haar, zanderig lijkt het wel. Ze heeft me weleens wat meegegeven – voor de sla heb je er niets aan, alleen als conserveermiddel. Haar perziken worden opgegeten door de rupsen. Als je nou motten zou bestuderen! Oogsten is er dus niet bij, maar boeken heeft ze wel.’
‘Hoeveel hectare boeken?’
‘Doe niet zo gek! Drink eens leeg.’
Ik gehoorzaam.
‘Wat boeken betreft reken je bij haar niet in hectares, maar in kilometers.’
‘Hoeveel heeft ze er?’
‘Dat weet niemand. Ik heb nog steeds niet al haar planken afgelopen.’
Een paar weken geleden heb ik, mede om mogelijke roddels in de stad te ontkrachten en mijn artistieke kwaliteiten nog eens te promoten, Galeazzo een van mijn aquarellen van de P. machaon gegeven. Hij heeft het, zoals ik al had verdacht, ingelijst en opgehangen op een prominente plaats boven de kassa, waar iedereen het kan zien. Dat komt mij heel goed uit. Ik ben signor Farfalla.
==
Signora Prasca was erg bezorgd. Dat vertelt ze me als ik terug ben. Ik had gezegd dat ik twee dagen weg zou zijn, maar ben vier dagen weggebleven. Ze is helemaal overstuur geweest, want het was toch mogelijk dat haar signor Farfalla een ongeluk was overkomen op de autostrada, of beroofd was in Rome – waar ik immers naartoe zou gaan, had ik gezegd – of in de bergen was overvallen door een vreselijk onweer. Ze maakt een hoop drukte terwijl ik de binnenplaats op loop en aanstalten maak om met het kistje dat ik bij me heb de trap op te lopen. Ze heeft de verzamelde post van die vier dagen in haar hand. Er zit een ansichtkaart bij van mijn nichtje, die ik drie dagen geleden zelf uit Florence heb verzonden.
Ik sus haar angsten. Het was prima in Rome, verzeker ik haar. De stormen hebben de hoofdstad niet bereikt, geen regen gehad op de autostrada, en alleen toeristen laten zich beroven. Ik vertel haar niet dat ik niet dichter bij Rome ben geweest dan deze trap die ik opga.
Probeer niet te raden waar ik ben geweest. Het gaat u niet aan en ik zal u geen hints geven. Ik wil alleen kwijt dat ik een Socimi 821 te pakken heb weten te krijgen en verder een Duits telescopisch vizier van goede kwaliteit met een Zeiss-lens en een assortiment andere onderdelen, alles bij elkaar ter waarde van net geen achtduizend dollar. Het vizier is een lichtsterk model. Voor het geval dat. Deze klus zal me een goede winst opleveren.
Mijn opdracht is niet zo moeilijk als ik me aanvankelijk had voorgesteld. Er zal weinig feitelijk knutselwerk bij te pas komen, en dus minder Bach. Ik heb veel geluk gehad dat ik een loop op de kop heb kunnen tikken. De details hoeft u niet te weten. Een uitvinder of ambachtsman geeft zijn geheimen niet prijs.
Als deze klus geklaard is, zou ik u de gegevens kunnen verkopen. Mocht u ook de branche in willen. Als ik ermee ophoud, zijn er maar weinig anderen die het ambacht kunnen voortzetten. Ik ken maar twee mensen die – hoe zal ik het zeggen? – gespecialiseerde wapenhandelaren zijn. En van hen zou wel dood kunnen zijn – ik heb al jaren niks meer van hem gehoord.
Misschien is hij met pensioen gegaan. Zoals ik ga doen, na deze laatste klus.
Jammer eigenlijk. Ik had gehoopt dat mijn laatste project veel moeilijker zou zijn dan het blijkbaar is. Weer eens een pistool vermomd als koffertje, of een verdovingspistool in een typemachine. Miniaturisatie is tegenwoordig je van het – laptops, digitale horloges, pda’s, pacemakers en mobiele telefoons ter grootte van een pakje sigaretten. De evolutie zal ervoor moeten zorgen dat onze vingers korter en dunner worden.
Een parapluwapen zou een uitdaging zijn geweest. Zeker, het is al eens gedaan. De Bulgaren hebben er jaren geleden in Londen al eens een gebruikt tegen Georgi Markov, een dissident. Met perslucht hebben ze een kogeltje van 1.52 millimeter doorsnee in het dijbeen van het slachtoffer geschoten. Dat kogeltje was een meesterwerk van microtechniek dat ze al onder de knie hadden lang voordat er met laserstralen superchips gemaakt konden worden uit een schijfje silicium met de dikte van een menselijke haar of welke andere wonderbaarlijk minuscule dimensies in die branche gewoon zijn. Het was een rond kogeltje gegoten uit een legering van platina en iridium. Twee .35 mm gaten erin leidden naar een minuscuul centraal reservoir gevuld met ricine, een gif waar de producenten van tegengiffen nog geen antwoord op hebben gevonden. Twee weken daarvoor hadden de Bulgaren hetzelfde wapen in Parijs tevergeefs gebruikt tegen een ander zogenaamd ongewenst individu, ene Vladimir Kostov. Hij heeft het wel overleefd.
Het was een briljant concept – ontraceerbaar en een verbazingwekkend simpel projectiel – de eenvoud zelve. Twee seconden, en klaar was Kees. In twee seconden was de wereld veranderd en aan het leven van het slachtoffer een einde gemaakt. Het trieste was in dit geval alleen dat het een langzaam werkend gif was. Markov heeft er drie dagen over gedaan om dood te gaan. Dat is geen mooie dood, dat is een vossenjachtdood.
De kogel is beter.
Er moeten wat wijzigingen worden aangebracht aan de Socimi. De langere loop moet erop worden gemonteerd. Dat is niet al te moeilijk. Een kwestie van wat frezen en werken aan de draaibank. De loop zit gewoon vast met een moer, zodat deze eenvoudig gedemonteerd en weer opnieuw gemonteerd kan worden. Ik zal de connector een beetje moeten aanpassen om ervoor te zorgen dat de trekker makkelijker overgehaald kan worden. Ik denk dat mijn cliënt ondanks de ferme hand een lichte vingerdruk heeft.
De patroonhouder moet helemaal anders worden. De huidige is te kort. Dat is ideaal voor een brede spreiding, maar niet voor een wapen met een telescoop erop waarmee je heel precies wilt richten. Ik zal een ander maken. Ik zal de loop moeten voorzien van schroefdraad ten behoeve van de geluiddemper, en dat zal een tijdje duren. Je moet dat heel zorgvuldig doen, er ruim de tijd voor nemen.
De loop die ik op de kop heb getikt is van binnen al van groeven voorzien, zes stuks. Ik heb er niet mee geschoten en zal het wapen voorlopig even rust moeten gunnen, om het zo maar eens te zeggen. Het is technisch gedoe. Ik wil u niet lastigvallen met het jargon van de wapensmid. Maar u kunt er zeker van zijn dat ik alles zo zorgvuldig mogelijk zal doen, precies volgens de specificaties, volgens de standaard die overal ter wereld als de beste geldt.
Ik ben een vakman. Het is jammer dat er steeds maar één keer gebruik wordt gemaakt van mijn vakmanschap, zoals een hamburgerdoos van schuimplastic bij de McDonald’s ook slechts één keer wordt gebruikt, maar dat is tegenwoordig het lot van de ambachtsman. In een wegwerpcultuur raken we snel op de achtergrond. Misschien is dat de reden waarom wij als experts de neiging hebben om elkaar op te zoeken – de reden waarom ik vaak bij Alfonso ga kijken als ik iets nodig heb, zoals ook nu.
Alfonso’s garage ligt aan de Piazza della Vagna. Het is een holle ruimte met daarboven een zeventiende-eeuws koopmanshuis. Waar hij nu Alfa’s, Fiats en Lancia’s repareert lagen ooit rollen zijde uit China opgeslagen, maar ook kruidnagelen uit Zanzibar, gedroogde dadels uit Egypte, edelstenen uit India en goud uit plaatsen waar maar goud gestolen, geruild of met moord verkregen kon worden. Nu ruikt het er naar versnellingsbakolie en staan er rekken vol gereedschap en dozen met moeren, bouten en onderdelen, merendeels tweedehands en veelal afkomstig uit verongelukte auto’s waarover Alfonso zich met zijn takelwagen heeft ontfermd. De ruimte wordt verlicht door felle neonlampen. In een hoek staat, als een huisaltaar, een gecomputeriseerd apparaat om auto’s mee af te stellen. Het lichtje op de oscilloscoop zigzagt op en neer alsof het de piepende ademhaling van een stervend motorblok registreert. Alsof het om een ziekte gaat.
Alfonso noemt zijn bedrijf ook een ziekenhuis. Auto’s waaraan iets mankeert worden er binnengebracht, om later gezond en wel weer vertrekken. Hij spreekt niet van een beschadigde Mercedes. Voor hem is het voertuig ‘gewond’ geraakt in een gevecht met een Fiat Regata. ‘Gewond’ klinkt nobel. De Regata is echter wel degelijk alleen maar ‘beschadigd’. Hij minacht Fiats en noemt ze roestbakken. Een paar weken geleden vertelde hij me dat hij op de autostrada ten zuiden van Florence een ‘dode’ Lamborghini had gezien, met daar vlakbij een ‘lichtgewonde’ Scania met oplegger. Alfonso is de Christiaan Barnard van bmw, de Fleming van Fiat. Een dopsleutel is voor hem als een scalpel, een tang en een moersleutel zijn delicate operatie-instrumenten.
‘Ciao, Alfonso!’ zeg ik als begroeting. Van onder de motorkap van een Lancia kijkt hij opzij.
‘Ze is lui,’ verklaart hij, en hij legt zijn hand tegen de binnenkant van de wielkast. ‘Deze oude Romeinse dame…’ – hij knikt in de richting van de nummerplaat – ‘… komt geen heuvel meer op. Het werd tijd dat ze nieuw bloed kreeg.’
Olie is voor Alfonso bloed, brandstof is voedsel, remvloeistof is plasma en een laag verf is een jurk of een mooi pak. Plamuur of grondverf worden onveranderlijk aangeduid als slipje of beha, afhankelijk van de plek die opgelapt wordt.
Ik heb een paar stukken ijzer nodig. Staal, bij voorkeur. Bij Alfonso liggen overal stukken oud ijzer. Iets wat niet opnieuw gebruikt kan worden bestaat voor hem niet. Ik heb weleens gehoord dat hij ooit ter versteviging de branderringen van een oude gaskachel heeft gemonteerd in de doorgeroeste vloer van een Fiatje. De eigenaar heeft geen verschil gemerkt, en de auto heeft nog jaren snorrend als een naaimachine door de vallei gereden, totdat de remmen in een bocht dienst weigerden. De auto was volgens zeggen een wrak, maar de branderringen hadden het toch maar mooi gehouden.
Hij zwaait met zijn hand vaag in de richting van de planken. Zijn gebaar impliceert: neem maar mee wat je wilt, help jezelf, doe alsof je thuis bent, wat stellen een paar stukjes ijzer nou voor tussen vrienden?
Achter een oliecarter met een gekarteld gat erin vind ik wat restjes ijzer, en dan stuit ik op drie tandwielen waarvan de tanden afgesleten zijn. Het grootste van de drie houd ik omhoog.
‘Bene?’ vraag ik.
‘Si! Si! Va bene!’
‘Quant’è?’
Hij gromt naar me en grijnst.
‘Niente!’
Niets. We zijn vrienden. Aan een tandwiel zonder tanden heeft hij niets. Waar heb je het voor nodig, vraagt hij. Als deurstop, zeg ik. Het is een zwaar ding, dus daar zal het wel geschikt voor zijn, zegt hij.
Ik wikkel er een vettig stuk krant omheen en neem het mee naar huis. Signora Prasca is aan het telefoneren. Ze zit als een papegaai een eind weg te babbelen, hoor ik.
In mijn appartement zet ik Bach op en draai het volume omhoog. Dan zet ik hem weer af. Ik zet mijn laatste aankoop op, de Ouverture 1812 van Tsjaikovsky. Terwijl de Franse artillerie de Russen terugslaat, sla ik het tandwiel met een vierpondshamer in vijf stukken.
==
Ik ben de heraut van de dood, de verkondiger van het laatste bericht. Dat is het mooie van mijn beroep. Alles wat ik doe, loopt compromisloos uit op dat ene momentje, die ene finale, ideale eindbestemming. Welke kunstenaar kan aanspraak maken op zoiets groots?
Als de schilder de laatste hand legt aan zijn schilderij, doet hij een stap naar achteren. Het is klaar, de opdracht is af, het schilderij gaat naar de lijstenmaker en van hem naar de eigenaar. Maanden later ziet de kunstenaar het resultaat bij zijn opdrachtgever thuis hangen en merkt hij een foutje op. Een bij op een bloem heeft maar één voelspriet. Of een eikenblad heeft niet de juiste vorm. Wat volmaakt was, blijkt onvolmaakt.
Of denk aan een schrijver. Maandenlang zwoegt hij op zijn verhaal, en als het eindelijk klaar is, stuurt hij het naar zijn uitgever. Er wordt het een en ander veranderd, hier en daar wordt het herschreven, het wordt persklaar gemaakt, gezet, er worden proefdrukken gemaakt, het wordt gecorrigeerd en ten slotte gedrukt. Een jaar later staat het in de boekwinkels, de recensenten hebben het geprezen, de lezers kopen het. De schrijver bladert in een van zijn gratis exemplaren. Het grindpad naar het strandhuis van zijn held in Malibu uit hoofdstuk 2 blijkt in hoofdstuk 37 ineens op mysterieuze wijze geasfalteerd te zijn. Het hele boek wordt erdoor ontsierd.
Mij zal dit niet overkomen. Behalve die ene keer dan. Al mijn moeite wordt beloond. De keten van gebeurtenissen die begint met het tevoorschijn halen van het schiettuig vindt zijn bekroning in een actie van twee seconden. De vinger kromt zich, de trekker wordt aangehaald, de connector verschuift, de haan wordt opgetild, de slede komt in beweging, de grendel gaat omhoog, de hamer raakt de slagpin, die tegen het patroon slaat, de explosie volgt, de kogel vliegt naar het hart of het hoofd en maakt het geheel volmaakt. Alles gebeurt volgens een voorbeschikt, logisch en foutloos plan.
Wat een choreografie, en ik ben de dansmeester van dit ballet dat naar de eeuwigheid leidt. Ik ben de uitvoerder, de oorzaak, de eerste en de laatste stap, de producent en de regisseur.
In de samenwerking met mijn cliënt ben ik de grootste impresario ter wereld, de vaudevilleartiest van de kogels, de componist van de aanslag, de producent van de dood. Samen kiezen we de methode, ik maak het allemaal mogelijk. Ik schrijf het libretto, de partituur. Mijn cliënt kiest het theater, maar ik ga over het podium. Ik ben de spotlights en het decor, ik ben de regisseur. De helft van de rolbezetting is in handen van mijn cliënt. U mag eenmaal raden wie de andere speler is in dit drama.
Mijn cliënt is mijn marionet. Ik doe hetzelfde als de poppenspeler bij de kerk van San Silvestro. Ik vermaak de mensen. Ik organiseer misschien wel de grootste show ter wereld. Alleen heeft mijn marionet geen geslachtsorgaan dat te pas en te onpas de kop opsteekt. Hij heeft een aangepaste Socimi 821 en een patroonhouder met 9 mm patronen.
Wat me zo bevalt aan dit spel, deze tragikomedie van het lot, is dat ik een stem heb bij de keuze van de methode, de locatie en het moment. Hoeveel mensen weten precies wanneer ze zullen sterven, en waar en hoe? Alleen zelfmoord heb je zelf in de hand, en dan nog kan de zelfmoordenaar er niet honderd procent zeker van zijn dat er niet iemand langs zal komen die hem lossnijdt, hem uit het water trekt, zijn maag leegpompt of het gas uitdraait en de ramen wijd openzet. Het leven weer binnenlaat. En hoeveel mensen weten met onweerlegbare zekerheid wanneer en op welke plaats een ander dood zal gaan, de pijp aan Maarten zal geven? De huurmoordenaar weet het wel. En dat maakt hem tot God.
De gewone moordenaar niet. Hij is een amateur. Hij handelt in een opwelling of uit paniek. Hij doordenkt zijn handelingen niet, hij ziet niet welke macht hij bijna bij de gratie Gods bezit. Hij begaat blunders, en pas naderhand, wanneer de handboeien om zijn polsen dichtklikken of als hem door een megafoon wordt toegeroepen dat hij met zijn handen omhoog naar buiten moet komen, vraagt hij zich af wat er eigenlijk allemaal gebeurd is.
De huurmoordenaar weet het wel.
Ik ook.
Dat maakt dit alles tot zo’n volstrekt miraculeus fenomeen.
==
De krantenkiosk vlak bij Milo’s vaste plek op de Piazza del Duomo heeft soms buitenlandse kranten en tijdschriften, met name ’s zomers als de toeristen er zijn. Vandaag hebben ze Time, Newsweek, de Daily Telegraph en ook de International Herald Tribune, en afgelopen zondag was de New York Times er. Op het omslag van Time staat het portret van een revolutionair van onduidelijke nationaliteit, gekleed in het internationale uniform van de terrorist – kogelwerend jack, bivakmuts en Yasser Arafat-sjaal om de hals geknoopt. Hij staat voor een hoop brandende autobanden en zwaait met wat voor mijn geoefende oog duidelijk een Chinees machinegeweer Type 68 is.
In de schaduw van de luifel van de krantenkiosk bestudeer ik de foto. Het is een interessant machinegeweer. Ik heb er al jaren geen in handen gehad. Het lijkt op de Russische Simonov sks, maar de loop is langer en de gasregulator is anders. De vergrendeling is vergelijkbaar met die van de ak47, maar de patroonhouder niet. Om de patroonhouder van een ak47 bij dit geweer te kunnen gebruiken, moet je de pal die de grendel tegenhoudt wegvijlen – iets wat ik ooit ook heb moeten doen. Ik weet de gegevens nog: het was met zijn totale gewicht van bijna vier kilo een nogal zwaar wapen, er gaat een patroonhouder met vijftien patronen op – dertig als het om een ak47-versie gaat – en de draaisnelheid is 750 patronen per minuut; de mondingssnelheid is 730 meter per seconde. Je schiet er 7.62 mm Sovjet m43 kogels mee met een lading van 25 gram en 122 gram kogelgewicht. De kop boven het portret, waarop de man ten halven lijve staat afgebeeld, luidt: terroristen – de vijand in ons midden.
Ik blader het blad door. De strekking van het artikel is dat we een halt moeten toeroepen aan deze exponenten van het brute geweld, deze jongens van de bliksemactie en de transistorradiobom. We hebben in onze wereld geen plaats voor dit soort bedienaren van het wapengeweld, deze missionarissen van de pijn.
Ik leg het blad neer. Ik heb geen tijd om volgelingen te kweken. Het leven is te kort om het te besteden aan het lezen van berichten van woordvoerders van presidenten, die vanuit de bunkers van de politiek en te midden van een arsenaal van wettelijk toegestane wapens de vrede prediken.
Mannen die geweld plegen. Zo’n exclusieve categorie bestaat er niet. Iedereen is een terrorist. Iedereen draagt een geweer in zijn hart. De meesten schieten er alleen niet mee omdat ze geen motief hebben om voor te strijden. Als we er het motief en de moed voor hadden, zouden we allemaal aanslagen plegen.
De neiging van de mens om terreur uit te oefenen kent geen grenzen. De Britten en – ja, zelfs hier in het hart van de beschaving – de Italianen maken jacht op vossen en gooien de honden levende welpen toe, alleen maar om het plezier bloed te zien en de kreten van pijn te horen, om een sensatie van pijn door hun aderen te voelen vloeien; de Zweden hangen wolven op aan hun achillespezen; Amerikanen snijden levende ratelslangen open. Geweld is een aangeboren kenmerk van de menselijke soort. Ik kan het weten. Ik ben een mens.
Er is geen verschil tussen een Simonov-kloon in de knuisten van een vrijheidsstrijder, mijn omgebouwde Socimi in het koffertje van een jeugdige opdrachtgever en een m16-karabijn in de handen van een Amerikaanse marinier.
De mensen accepteren het geweld. Op de televisie zien we mensen sterven door wapengeweld in naam van de gerechtigheid, alsof elke filmproducent een direct lijntje naar God heeft. De gewelddadige dood is een gemeenplaats. Er vormen zich geen oploopjes om de dronkaard in de goot te bekijken die zich doodgedronken heeft, of de oude man die op de zaal voor terminale patiënten van het bejaardenhuis aan kanker is overleden. Er zijn een paar verwanten die rouwen en als kippen kakelen dat ze zo dankbaar zijn, zo dankbaar dat de overledene niet lang heeft hoeven lijden. Een waardige dood, dat is wat ze voor hem wilden, wat ze voor zichzelf willen. Maar let eens op de uitgestrekte halzen bij een kettingbotsing op de autostrada, op de hordes kijkers die zich langs de rails verzamelen bij een treinongeluk of de nieuwsgierigen die willen zien waar het vliegtuig is neergekomen en de ongelukkigen de dood vonden.
En dan de wreedheid van de overheid. De mensen accepteren geweld als het wordt gelegitimeerd door de bevoegde instanties, ze aanvaarden het als rechtvaardig. Sommige mensen, bepaalde categorieën mensen – negers, illegalen, ongelovigen, spleetogen en uitschot in het algemeen – mogen wel met geweld bejegend worden, onverschillig wie dat bepaalt, onverschillig wie het doet. Zo is het altijd al geweest. Zo zal het altijd blijven.
Ik behoor er ook toe, tot die categorie, ik ben een van degenen die in naam van de vrede mag worden doodgeschoten. Als bonus. Dat geldt voor mij en ook voor mijn bezoeker, die ik over een paar dagen weer zal spreken.
Geweld is een overheidsmonopolie, zoals het gevangeniswezen en de belastingdienst. We kopen geweld met de belastingen die we betalen, we worden erdoor beschermd.
De meesten althans. Ik niet. Ik betaal geen belastingen. Niemand kent me. Ik bezit geen grote, fraaie jachten afgemeerd in luxe jachthavens.
Ik leef volgens de regel van Malcolm X: ik ben een vreedzaam man, ik ben hoffelijk, ik gehoorzaam de wet, ik respecteer iedereen. Maar als iemand me te na komt, jaag ik hem de dood in.
Ik moet er iets meer over zeggen, want anders zou u me misschien een leugenaar noemen. De wet die ik gehoorzaam is de natuurwet. De vrede die ik nastreef is die van de gemoedsrust.
==
Ik zit in mijn tweede slaapkamer, en terwijl de cd-speler rustige muziek produceert – laten we zeggen Pachelbel – en ik aan de connectors werk, ze vormgeef uit het staal van het tandwiel, denk ik aan het verschil tussen een moordaanslag en een vergiftiging, de manier van doden van de lafaard. En ik denk aan Italië, waar ze het vergiftigen hebben uitgevonden.
De Romeinen hebben de gifmoord verfijnd, en de Kerk van Rome heeft haar geperfectioneerd. Livia, de vrouw van keizer Augustus, was een expert: ze heeft haar halve familie vergiftigd en onder de groene zoden gestopt. In het oude Rome bestond het gilde van gifmengers al, maar de pausen en kardinalen waren de echte experts.
Iemand doden met een vuurwapen is nobel. Iemand ombrengen met gif is dat niet, dat is immoreel. Het is een ontaarding, het zijn de machinaties van een kwaadwillige, meedogenloze ziel. De ware aanslag is onpersoonlijk, ook al heeft de pleger een actieve rol in het proces. Vergiftigen doe je uit haat of nijd, en die is persoonlijk, maar de dader doet niet meer dan het gif toedienen en zich uit de voeten maken – hij onttrekt zich aan het toedienen van de dood.
Ik vind het altijd heel ironisch dat het Vaticaan juist zoveel gebruik heeft gemaakt van vergif.
De eerste paus die werd vermoord, Johannes viii, werd in het jaar 882 vergiftigd door zijn volgelingen. Maar het waren beginnelingen in deze kunst, en uiteindelijk hebben ze de man dood moeten knuppelen. Hierdoor zijn ze niet te beschouwen als echte gifmengers, want ze namen de zaak wel degelijk actief zelf ter hand, zij het met tegenzin.
Toen tien jaar later Formosus was vergiftigd, heeft diens opvolger – en een wredere daad heeft nog nooit een moordenaar begaan – Stephanus vii, het lichaam laten opgraven, excommuniceren, verminken en door de straten van Rome laten slepen, om het ten slotte in de Tiber te laten gooien alsof het een zak huisvuil was of een emmer stront. De conclusie is duidelijk: gifmengers worden gedreven door haat, plegers van aanslagen door rechtvaardigheidsgevoel en betrokkenheid, door de golfslag van de geschiedenis.
Maar daarmee was het nog niet afgelopen. Johannes x werd vergiftigd door de dochter van zijn minnares, en eenzelfde lot ondergingen Johannes xiv, Benedictus vi, Clemens ii en Silvester ii. Benedictus xi stierf door het eten van gesuikerde vijgen, waarbij de suiker vermengd was met gemalen glas. Paulus ii door het eten van vergiftigde watermeloenen. Alexander vi door het drinken van wijn waarin arsenicum was opgelost, die echter voor zijn tegenstander was bedoeld. Hoe zoet is rechtvaardigheid! Hij werd helemaal zwart, zijn tong werd zo donker als die van de satan en zwol op zodat zijn hele mond erdoor gevuld werd. Uit al zijn lichaamsopeningen bubbelde gas naar buiten, en men zegt dat ze op zijn buik hebben moeten springen om de sarcofaag dicht te krijgen.
Walgelijke tonelen moeten het geweest zijn, en allemaal gepleegd uit haat en hebzucht. Iemand die een aanslag pleegt zou zich niet zo gedragen. Dit soort moorden toont waar de mens in zijn ergste verwording toe in staat is. Ik hou me met andere dingen bezig.
==
Ter voorbereiding van mijn uitstapje naar de bergen pakte ik het een en ander bij elkaar voor een picknick: een fles gekoelde frascati, die ik met wat ijsklontjes in zo’n piepschuimen doos stopte waar wijnkopers hun flessen in verzenden; een grof bruinbrood, een half ons pecorino, een ons prosciutto, een potje zwarte olijven, twee sinaasappels en een thermosfles zwarte koffie met suiker. Dit alles deed ik in een grote rugzak, tezamen met mijn verrekijker, tekenblok, kleurpotloden en een vergrootglas. Een tweede rugzak bevatte de rest van mijn uitrusting.
Toen ik wegging vroeg signora Prasca me of ik weer vlinders ging schilderen. Ik zei van niet. Het zou een expeditie hoog in de bergen worden om de bloemen te tekenen waar de vlinders van aten. Een Luxemburgse galerie had gevraagd om een serie tekeningen van vlinders op bloemen, zei ik. Hoe de vlinders eruitzagen, wist ik wel. Van de bloemen wist ik het niet.
‘Sta’ attento!’ riep ze me nog toe terwijl ik de poort naar de binnenplaats dichtdeed.
Lieve signora Prasca, ik zal heus wel goed opletten, dat doe ik elk moment van mijn bestaan. Ik let heel goed op. Heb ik altijd gedaan. Daarom ben ik er nu nog.
Ze stelt zich voor hoe ik langs afgronden loop, me gevaarlijk ver vooroverbuig om mijn vergrootglas te richten op een of ander onkruid dat op de steile rotswand groeit, of dat ik als een gems van rots op rots spring aan de voet van gletsjers die doen denken aan de winterse witte dood, de lawines die je op een februarinacht soms in de verte kunt horen rommelen. Als het nu winter was geweest, zou ze bang zijn dat ik in een sneeuwjacht zou verdwalen en gedood en opgegeten zou worden door roedels wolven of wilde honden die jagen op loslopende paarden en ronddwalende kudden schapen.
De weg kruipt omhoog vanuit de vallei, kruist smalle, diepe ravijnen en meandert langs bijna loodrechte bergwanden. Hij voert langs gehuchtjes waar de huizen van miniatuurformaat lijken door de reusachtige afmetingen van de bergen en de kerken die bij ontstentenis van een gelovige gemeente van ouderdom aan een traag proces van verval onderhevig zijn. Er zijn op die hoogte nog maar weinig bomen – een paar onderontwikkelde notenbomen en, op beschutte plekjes, wat eiken- en kastanjebosjes.
Na een halfuur gestaag omhooggaan bereik ik met de deux-chevaux, alsof hij een camoscio is, een gems, en het hoogste punt van de pas, vanwaar de weg verder vlak loopt over de Piano di Campo Staffi. Op het plateau groeien weelderige velden luzerne, tarwe en gerst. Er grazen koeien, die de stad voorzien van de benodigde mozzarella, die dagelijks naar beneden wordt gereden in rammelende bestelbusjes en kleine vrachtwagens, die zo oud zijn dat het goed mogelijk is dat ze hier al in het Mussolini-tijdperk rondreden.
Een paar kilometer voorbij de pas ligt het dorp Terranera, zwarte grond. Ik besluit om hier halt te houden bij de bar, en een kopje koffie te drinken. Het is geen zonnige dag en ik ben hoog in de bergen, maar toch is het warm en heb ik dorst.
‘Si?’
De vrouw achter de bar is jong, een jaar of twintig. Ze heeft volle lippen en grote borsten. Haar donkere ogen staan somber, want het dorpsleven is weinig opwindend. Even komt de gedachte bij me op dat ze zich weldra zal aansluiten bij de gelederen van Maria aan het einde van de Via Lampedusa.
‘Un caffè lungo.’
Ik heb geen trek in sterke koffie. Ze draait zich om en vult een klein, dik kopje dat rammelt op zijn schoteltje met koffie. Ik schep er uit de kom naast de kassa wat suiker in.
‘Fare caldo,’ zeg ik terwijl ik afreken.
Ze knikt ongeïnteresseerd.
Achter in de zaak staat een ijsbar. Ik drink mijn kopje leeg en kijk ernaar. IJs is een van de geneugten van Italië.
‘E un gelato, per favore.’
Ze loopt loom naar de ijsbar, gaat erachter staan en doet de perspex klep omhoog.
‘Abbiamo cioccolata, caffè, fragola, limone, pistacchio…’
‘Limone e cioccolata.’
Ze schept de bolletjes ijs op een hoorntje, en ik betaal. De prijzen staan met krijt genoteerd op een schoolbord dat met oranjekleurig plastic inpaklint aan haken in het plafond is opgehangen.
Terwijl ik in de deuropening aan het ijs lik en proef hoe zuur het citroenijs is en hoe het chocola me tegenstaat, laat ik mijn blik over het terrein en de huizen gaan. Daar waar de aarde is omgeploegd, is ze inderdaad zwart. Het heet hier volgens sommigen de Vlakte van de Velden van de Inquisitie. Dat de aarde zwart is zou komen door de verbrande lijken. Als je een menselijk lichaam langzaam verbrandt, verkoolt het en smelt het alsof het van rubber is. Ik heb het zelf gezien.
Als ik ben doorgereden sla ik na tien minuten links af, een karrenspoor op. Honderd meter verderop zet ik de deux-chevaux stil, stap uit en laat mijn portier openstaan. Naast de auto staand plas ik in de struiken. Ik hoef niet te plassen, zo oud ben ik nog niet en de koffie heeft mijn blaas nog niet bereikt. Ik wil alleen controleren of niemand de auto heeft zien afslaan. Maar zover ik de zwarte aarde en het wuivende bruine gras kan overzien is er niemand te bekennen.
Er is al lang geen gebruik gemaakt van het karrenspoor. Ik zet de auto weer stil zodra ik tussen de bomen ben en bestudeer de grashalmen die op de verhoging midden tussen de sporen groeien – niets bijzonders te zien, geen olieresten van een auto die er met zijn onderkant overheen is geschuurd. Hier en daar liggen schapenkeutels, maar zelfs die zijn oud. De koeienvlaaien zijn gereduceerd tot plakjes door insecten verteerd stof.
Nadat ik de dagteller op nul heb gezet, rijd ik verder, en de deux-chevaux hobbelt op zijn zachte vering verder als een speelgoedbootje op de golven van een winderige vijver. Ik stop pas tien kilometer verderop weer. De laatste drie of vier kilometer is het karrenspoor niet veel meer dan een vage, lange open plek in het bos, die zo’n tweehonderd meter naar omlaag voert. De deux-chevaux trekt een dubbel spoor in het gras, dat hier onder de bomen nog groen is. Binnen enkele uren zal het weer overeind staan, waarna geen spoor meer te bekennen zal zijn van mijn aanwezigheid.
Als ik ten slotte een vervallen herdershut passeer, bij een rotspartij een bocht maak en tussen de laatste bomen van het bos een helling af rijd, kom ik op een plek die ik verwacht had aan te treffen: een bergwei van ongeveer een kilometer lengte en in het midden zo’n vierhonderd meter breed. Aan het einde ligt een meertje met dicht met riet begroeide oevers. Rechts van me is een dichtbeboste heuvel, die hogerop overgaat in steile grijze rotsen, misschien wel tot een hoogte van zevenhonderd meter. Links is er ook een heuvelrug, en daarop staat de vervallen pagliara die ik er ook had verwacht aan te treffen.
Paglia betekent stro. De bergdorpen hebben vaak een pagliara, een tweede nederzetting nog hoger in de bergen, waar de dorpelingen ’s zomers naartoe trekken om er het vee te laten grazen. Tegenwoordig zijn het plekken waar niemand komt, de paden zijn er overwoekerd, de huizen hebben geen daken, de vensters geen luiken en de schoorstenen roken niet meer. Af en toe passeren er weleens langlaufers, maar die houden maar zelden halt.
Ik stop mijn rugzakken in de kofferbak en baan me door de wei een weg naar de ruïnes van het gehucht. De zon komt tevoorschijn, maar dat maakt nu niet meer uit. Niemand die hier de weerkaatsing van een lichtflits in mijn voorruit zal opmerken.
Het gras is lang en de bomen werpen diepe schaduwen. Overal om me heen op de weide schieten de wilde bloemen hoog op. Ik heb nog nooit zo’n mooie plek gezien, zo volkomen onbedorven, met tere nuances van geel, paars en fel wit, harde en schitterende roodschakeringen, intense blauwtinten. De wei ziet eruit alsof een kunstzinnig aangelegde god er verf in allerlei kleuren over uit heeft gespetterd, alsof hij een druipende kwast heeft uitgeschud over het weelderige smaragd van de vallei. De grond voelt stevig aan, maar er is hier water en alles bloeit. Het zoemt van de insecten, bijen tasten de bergklaver af en mij onbekende soorten vlindertjes vliegen op als ze gestoord worden door mijn voetstappen.
Op mijn hoge schoenen, die bescherming bieden tegen adders, klauter ik omhoog naar de huizen. Ik kan pas doen wat ik wil als ik zeker weet dat hier niemand anders is. Het zou kunnen dat je ook op een andere manier, makkelijker, vanuit het zuidwesten in dit kleine dal kunt komen en dat er regelmatig paartjes op zoek naar een afgelegen, romantisch plekje in de huizen neerstrijken.
Snel loop ik van de ene ruïne naar de andere. Geen aanwijzingen dat hier onlangs nog iemand is geweest. Geen roetplekken op de rotsen, geen askringen van een kampvuur, geen weggegooide blikjes en flessen, geen condooms aan de struiken. Naast het laatste huis staand speur ik het dal met de verrekijker af. Er zijn geen tekenen van recente menselijke activiteit.
Als ik gerustgesteld ben dat ik deze plek alleen deel met insecten, vogels en wilde zwijnen – ik heb hun hoefafdrukken gezien in een modderig beekje dat naar het meertje leidt – loop ik terug naar de deux-chevaux en rijd hobbelend over de keien in het gras het dal in. Ik keer de auto, zodat de neus in de richting staat waaruit ik gekomen ben en zet hem in de schaduw van een gedrongen maar brede notenboom vol halfrijpe noten, dicht bij de plek waar ik onder de bomen heb gestaan. Ik haal de rugzakken eruit.
Ik heb er zo’n tweeënhalve minuut voor nodig om de aangepaste Socimi in elkaar te zetten. Ik leg hem op de bestuurdersplaats en rol de doek uit waarin ik veertig patronen heb opgeborgen. Ik druk er tien in de patroonhouder, die ik op zijn plaats in de handgreep klik. Ik nestel de kolf tegen mijn schouder en houd een oog voor het rubberen kapje van het telescoopvizier. Zorgvuldig laat ik mijn blik over de vijver gaan.
Mijn hand is niet meer zo vast als vroeger. Ik word ouder. Mijn spieren zijn te zeer gewend aan beweging, of als ze niet bewegen aan ontspanning. Niet bewegen en me desondanks niet ontspannen is een kunst die ik niet meer helemaal beheers.
Ik voel me veilig in de schaduw van de notenboom, laat het machinepistool op het dak van de auto rusten en richt het op een rietbosje aan de overkant van de vijver. Heel behoedzaam en met ingehouden adem haal ik de trekker naar me toe, alsof die een van de kleine, soepele borsten van Clara is.
Er klinkt een kort put-put-put. Door het vizier kijk ik hoe er beweging ontstaat in het water op een meter of vier afstand rechts onder het rietbosje.
Ik haal de schroevendraaier met de handgreep van gehard staal uit de rugzak en stel het vizier bij. Ik stop nog eens tien patronen in de houder. Put-put-put! De rietstengels breken, de kogels slaan in de oever erachter. Ik zie de modder opspuiten. Ik stel het vizier opnieuw bij en herlaad. Put-put-put! Het rietbosje wordt aan flarden geschoten. Er dwarrelen veren op. Er moet een nest van een watervogel in hebben gezeten, dat nu verlaten is omdat het laat in de zomer is – het broedseizoen is voorbij, de kuikens zijn al groot.
Tevredengesteld haal ik de Socimi uit elkaar en stop de onderdelen weer in de rugzak, die ik in de kofferbak stop. Ik moet er nog het een en ander aan veranderen en nadenken over wat aanpassingen. De geluidsdemper moet wat verbeterd worden en ik moet de connector nog wat afvijlen. De trekker geeft nog iets te veel weerstand. Maar over het geheel genomen ben ik wel ingenomen met mijn werk.
Ik leg een deken op het gras, spreid mijn etenswaren erop uit, trek de fles frascati open en eet en drink. Als de maaltijd achter de rug is, verzamel ik de verbruikte patroonhulzen, stop ze in mijn zak, loop de wei in en schets ruim twintig verschillende bloemen, die ik vervolgens inkleur. Ik zal mijn uitstapje tegenover signora Prasca moeten verantwoorden.
Bij de vijver gooi ik de gebruikte patronen een voor een in het water. Als de laatste het water raakt, komt er een grote vis met een koperkleurige glans omhoog.
==
Ik heb een cadeautje van Clara gekregen. Niet iets indrukwekkends, een dasspeld van gewoon metaal met een laagje nepgoud. Hij is ongeveer vier centimeter lang, en aan de achterkant zit een klem met een veer eraan en een kartelrandje. Op het goudkleurige ding zit een geëmailleerd wapenschild. Het is het wapen van de stad, en ook de helm met vederbos uit het wapen van de Visconti’s staat erop. De Visconti’s bezaten volgens de in het Engels, Frans, Duits en Italiaans gestelde tekst op een papiertje in het doosje waarin ik het kreeg, ooit de stad en het grootste gedeelte van het omliggende land. Clara kan het niet hebben geweten, maar het is een passend cadeau: de Visconti’s waren in het verleden meesters in de kunst van het moorden, grootviziers in het spel van het executeren. Het was voor hen een manier van leven. Of van doden.
De manier waarop ze me dit aandenken gaf was vriendelijk gezegd tersluiks, maar ik zou niet kunnen zeggen of dit uit verlegenheid was of uit angst dat Dindina haar ermee zou treiteren. Ze heeft het in de zak van mijn jasje laten glijden, hetzij toen dat over de rug van de stoel lag in onze kamer in de Via Lampedusa, hetzij in de pizzeria. Ik vond het pas toen Dindina me haar gebruikelijke kusje op de wang had gegeven en ons al had verlaten.
‘Kijk eens in je zak,’ zei Clara.
Ik voelde in de binnenzak van mijn jasje. Dat was voor mij de natuurlijke reactie. Ik doe nooit iets in mijn buitenzakken uit angst voor zakkenrollers. Clara lachte.
‘Niet je binnenzak. Gewoon in je zijzak.’
Ik klopte op mijn jasje en voelde het doosje.
‘Wat is dit?’
Ik was oprecht verbaasd. Onder normale omstandigheden zou ik mezelf nooit zo open en toegankelijk hebben opgesteld. Het is een kleinigheid om drie gram semtex en een minuscule ontsteker in een jaszak te stoppen. Ik heb twee mensen gekend die op die manier de dood hebben gevonden, en ook dit is een techniek die aan de Bulgaren wordt toegeschreven. Of waren het Roemenen? Of Albanezen. Al die Balkanbewoners zijn wat dat betreft aan elkaar gewaagd. Het zijn sluwe klootzakken, die instinctmatig geneigd zijn tot leugenachtigheid, wat het resultaat is van eeuwen van invasies en inteelt en een sterke overlevingsdrang.
Ik haalde het doosje tevoorschijn en bekeek het. Als Clara niet mijn minnares was geweest en zo dicht bij me had gestaan, als ze de indruk had gewekt dat ze elk moment weg kon duiken, zou ik het doosje zo ver mogelijk van me af hebben geworpen en mezelf op de kinderkopjes hebben laten vallen. Of misschien zou ik het doosje naar haar toe hebben gegooid, voor haar voeten. Nu ik erover nadenk, zou ik waarschijnlijk het laatste hebben gedaan. De drang tot overleven en tot vergelding zijn geen eigenschappen die alleen bij de volkeren van de Balkan voorkomen.
‘Dono. Regalo. Een… presentje. Voor jou.’
Ze glimlachte naar me, het licht van een straatlantaarn wierp fraaie schaduwen op haar gezicht en benadrukte haar decolleté. Ook zag ik dat ze bloosde.
‘Dat was toch helemaal niet nodig.’
‘Nee, natuurlijk niet. Dat was niet nodig. Maar het is van mij, voor jou. Waarom maak je het niet open?’
Ik deed het dekseltje van het doosje omhoog, dat scharnierde met een klein veermechanisme. Het papiertje met de historische uitleg dwarrelde op de grond. Mijn hart sloeg een keer over, al mijn zenuwen waren gespannen. Ze bukte zich en raapte het op.
De dasspeld blonk in het lamplicht. Ik bewoog hem heen en weer, zodat hij glinsterde.
‘Het is maar een klein sieraad.’
Ze moet het zinnetje van tevoren ingestudeerd hebben, want ze articuleerde perfect en ze brak het zelfstandig naamwoord niet in twee lettergrepen.
‘Dat is heel lief van je, Clara,’ zei ik met een glimlach, ‘maar je moet je geld daar niet aan uitgeven. Je hebt het zelf nodig.’
‘Ja. Maar toch…’
Ik boog me voorover en kuste haar zoals Dindina mij had gekust. Clara legde haar hand in mijn nek, draaide haar gezicht naar het mijne en drukte haar lippen op die van mij. Ze bleef me lang vasthouden, zonder haar lippen te bewegen en zonder ze te openen om haar tong in mijn mond te steken.
‘Dank je wel,’ zei ik toen ze me losliet.
‘Waarvoor?’
‘Voor deze dasspeld en die stevige zoen.’
‘Die zijn allebei omdat ik zoveel van je houd.’
Ik antwoordde niet. Wat moest ik immers zeggen? Ze keek me een paar seconden diep in de ogen, en ik zag dat ze zonder het uit te spreken van harte hoopte dat ik haar liefde zou beantwoorden, dat ik zou zeggen dat het gevoel wederzijds was, dat die een band schiep, dat het geweldig was. Maar ik kon het niet. Dat zou niet eerlijk tegenover haar zijn geweest.
Ze draaide zich om, niet verstoord maar een beetje droevig, en liep weg.
‘Clara,’ riep ik haar zachtjes na.
Ze bleef staan en keek over haar schouder. Ik hield het doosje op.
‘Ik ben er ontzettend blij mee,’ zei ik, en dat was in elk geval wel gemeend.
Ze glimlachte en antwoordde: ‘Ik zie je. Gauw. Morgen misschien?’
‘Overmorgen. Morgen moet ik werken.’
‘Bene! Overmorgen!’ riep ze uit, en met lichte tred liep ze weg.
Clara houdt van me. Dat is geen verzinsel, maar de waarheid. Ze houdt niet van me zoals Dindina, vanwege het plezier en het zakgeld dat ze eraan overhoudt, maar om mijzelf of wie ze denkt dat ik ben. En daar begint het verzinsel een rol te spelen.
Haar liefde voor mij betekent een complicatie. Ik kan dat eigenlijk niet hebben, kan het risico niet nemen. Ik wil haar niet in het ongeluk storten en wil ook mezelf niet voor de gek houden. Maar ik moet toegeven dat ik veel voor haar voel, en als het al geen echte liefde is, dan is het toch zeker genegenheid. Door haar goedkope dasspeld is dat gevoel sterker geworden, voel ik hoe deze gevaarlijke zwakheid bezit van me neemt en me verontrust.
Ik keek haar na en ging bezorgd op huis aan.
==
Iedereen moet ergens toevlucht kunnen vinden om te ontkomen aan hetzij een dwingende levenspartner, een saaie baan, een vervelende situatie of een gevaarlijke vijand. Het hoeft niet ver weg te zijn, en het is vaak zelfs beter als het in de buurt is. Een opgejaagd konijn blijft soms even stokstijf stilstaan voordat hij het hol in duikt. Soms blijkt dat hij dat beter niet had kunnen doen, maar het kan ook zijn redding betekenen. Een bosje op de juiste plaats kan net zo’n uitkomst betekenen als een mooie tunnel. De jager verwacht dat het konijn de grond in zal duiken, dus als hij boven de grond blijft, zal hij misschien toch niet opgemerkt worden, omdat de jager hem daar niet meer verwacht te zullen zien. De Polen kennen een kaartspel dat als ik het me goed herinner gapin heet en dat draait om ‘wel kijken, maar niet zien’. Het konijn is een gapinspeler bij uitstek.
Bij het zoeken naar zo’n ‘bosje’ ontdekte ik gisteren niet ver van de stad een kerkje, waarin een van de meest verbazingwekkende kunstwerken te zien is die ik ooit zo bevoorrecht ben geweest te mogen aanschouwen.
Er bestaat in dit ondermaanse geen manier om mij te dwingen mijn kennis met u te delen. Tenslotte ben ik dan misschien toch een konijn en heb ik een sterke troef in handen. Misschien moet ik doen wat de Charaxes jasius doet: me verbergen en mijn vleugels dichtvouwen, doen alsof ik een dood blad ben, me gedeisd houden. Ik zou in elk geval mijn naam eer aandoen.
Het kerkje is niet groter dan een achttiende-eeuws Engels koetshuis. Het staat naast een schuur, waarvan het gescheiden wordt door een doorgang die maar net breed genoeg is voor mijn deux-chevaux en zeker te smal voor een Alfa Romeo van de carabinieri, om maar wat te noemen. Zelfs bij de deux-chevaux moest ik de zijspiegel inklappen om erdoor te kunnen.
Ik was naar die plek toe gegaan omdat de boerderij naast het kerkje te koop stond. Aan de muur hing een door de zon kromgetrokken bord waarop met roze muurverf in slordige letters het woord Vendesi was gekalkt. De verf was uitgelopen zoals bloed uit de stigmata druppelt, maar was in de felle hitte van de zon al opgedroogd voordat ze de onderrand van het bord had kunnen bereiken.
Toen ik op de deur klopte, volgde geen reactie. De luiken voor de ramen waren potdicht, alsof het huis zijn ogen stijf gesloten hield tegen de felle zon. Het was een gloeiend hete dag. Tegen de muur waren gras en onkruid hoog opgeschoten. Ik liep naar achteren. Daar lagen een met vierkante keien geplaveide en met stro bedekte binnenplaats en een vervallen schuur. Aan de geur te oordelen stond er vee in. Te midden van de resten van een uit elkaar gevallen baal hooi waar een paar drietandige hooivorken uit naar buiten staken, liep een scharminkel van een kip te pikken, die, toen ze mij zag aankomen, heftig begon te klokken uit ergernis om mijn inbreuk op haar terrein en stuntelig een goed heenkomen zocht tussen de spanten.
De achterdeur stond op een kier. Ik klopte weer aan. Geen reactie. Voorzichtig trok ik de deur verder open.
Het was niet dat ik bang was of achterdochtig: ik had niemand verteld waar ik naartoe ging – ik had net zo goed naar de Piazza del Duomo kunnen zijn gegaan om kaas te kopen – maar je weet nooit wanneer het einde daar is, wanneer een ander met de zegen van het lot en een Beretta 84 beslist dat je tijd gekomen is.
Als ik met het ochtendgloren opsta om me aan te kleden en aan het werk te gaan, maak ik vaak een afweging van mijn kansen. Niet de kansen om de dag, de week of de maand te zullen overleven – die duren te lang om een schatting te kunnen maken. Ik probeer in te schatten op welke manier ik aan mijn einde zal komen. Door een bom, dat kan altijd, maar alleen als een cliënt van me die vastbesloten is dat ik moet verdwijnen, iemand ertoe weet over te halen het te doen – er geldt in mijn wereld wel een erecode, maar lang niet iedereen is wat dat betreft te vertrouwen. De kans op een bomaanslag lijkt me in de orde van grootte van een op twintig. Veel waarschijnlijker is een kogel. Grofweg een op drie. Al kunnen er ook andere weddenschappen worden afgesloten ter verhoging van de winstkans in deze loterij. Er is bijvoorbeeld de keuze tussen een kogel uit een geweer of een machinegeweer. Er is een gerede kans op een 5.45 mm. De engel die mij stalkt, want zo zie ik mijn moordenaar, kan een Bulgaar zijn, maar die maken liever gebruik van paraplu’s, zoals ik al heb beschreven. Een geringere kans is er op een 5.56 x 45 mm, daarmee omvat je de Amerikanen, de m16 en het Armalite-geweer. Ik zou zeggen: een op zes. En dat geldt ook voor de 7.62 mm navo-patroon. Voor handwapens zijn geen weddenschappen genoteerd, maar de meest waarschijnlijke kogel is de 9 mm parabellum, waarmee verdragen worden afgedwongen en oude rekeningen worden vereffend. De kansen dat ik aan mijn einde zal komen als gevolg van een ziekte, een auto-ongeluk – tenzij er met het voertuig is geknoeid – of een overdosis op eigen initiatief zijn klein. Doodgaan van verveling kan natuurlijk altijd, maar die kans is niet kwantificeerbaar en dus is er geen notatie voor.
De boerderij was onbewoond, er woonden althans geen mensen. In de woonkeuken stond een ijzeren kachel met een vastgeroest luikje, een stoel zonder zitting en een gammele tafel, die de afgelopen tijd kennelijk was gebruikt als executieblok voor de onthoofding van zusjes van de magere kip. Twee andere kamers op de benedenverdieping waren leeg, afgezien van alle stof en op de grond gevallen pleisterwerk. De trap was verrot. Ik ging hem voorzichtig op, dicht langs de muur. Bij elke stap klonk een onheilspellend gekraak, dat bijna pijn deed aan je oren. Boven waren drie kamers. In een ervan stond een bed waarvan de veren door de bodem heen staken. In een van de andere kamers had een kat onlangs een nest geworpen. De moeder was er niet, maar het blinde nageslacht miauwde klagelijk bij het horen van mijn voetstappen. Vanuit de derde kamer keek ik uit op de vallei, mijn deux-chevaux en een oude man die het certificaat van mijn kentekenbewijs achter de voorruit stond te bestuderen.
Met mijn hand tegen de muur en moeite doend om slechts een fractie van een seconde mijn volle gewicht op de luid protesterende traptreden te laten rusten, ging ik de trap af en de tuin in. Daar stond de oude man. Hij had geen kwaad in de zin. Hij ging ervan uit dat hier toch niets was wat iemand die in een zeven maanden oude deux-chevaux rondrijdt zou willen stelen.
‘Buon giorno,’ zei ik.
Hij schudde zijn hoofd en mompelde iets. Misschien was het voor hem geen goede dag.
Ik wees eerst naar het huis en vervolgens op mezelf en zei: ‘Vendesi!’
Hij trok een grimas en schudde zijn hoofd. Zijn aandacht werd getrokken door het geluid van een passerende auto op de weg beneden, die met een gierend geluid in de tweede versnelling de berg op reed, en zonder nog een woord tegen me te zeggen kuierde hij weg. Ofwel hij was achterlijk, ofwel hij had het niet begrepen op onbekenden, ofwel hij wantrouwde buitenlanders, ofwel hij dacht dat iedereen die het huis zou willen kopen gek moest zijn en daarom zelfs zijn minachting niet waard was, laat staan het aangaan van een gesprek.
Ik weet niet wat me aantrok in het kerkje. Misschien was mijn aandacht erop gevestigd door de kip die daar liep te pikken en communiceerden wij op dierlijk niveau langs telepathische weg op een wijze die door de beschaafde mens niet meer wordt begrepen en verloren is gegaan. Waarschijnlijker is het echter dat het kwam omdat het een warme dag was en een gewijde atmosfeer koel aandoet. Ik legde mijn hand op de klink en ging naar binnen.
Ooit, zoals ik al heb verteld, was ik katholiek. Het is lang geleden. Religie past niet meer in mijn wereldbeeld. Naarmate je ouder wordt, word je vromer ofwel cynischer. Mijn ouders waren vromer dan van ze verwacht mocht worden. Mijn moeder had schrale knieën van het schrobben van de tegelvloer in de kerk nadat die bij een overstroming ondergelopen was. Mijn vader stortte geld om te zorgen dat die vloer in de was gezet en gevernist werd. Dat was om te voorkomen dat de kerkvloer in de toekomst nog meer schade zou oplopen bij overstromingen, niet om mijn moeder verdere kwellingen te besparen. Ik herinner me nog dat mijn vader erg boos werd toen de man van de verzekeringsmaatschappij van de Kerk de overstroming een straf van God noemde.
Toen ik acht jaar was, moest ik naar een nonnenschool. We waren daar met zeven jongens. We kregen goed onderwijs van de nonnen, en ze indoctrineerden ons met hogere en nog verwerpelijker normen dan die welke onze ouders en pastoor huldigden. De andere zes legden zich neer bij de macht die deze maagden met verwelkte zielen en melkachtig vlees over ons uitoefenden. Ik deed dat niet. Ik zag ze als vleermuizen met witte gezichten. De moeder-overste, een kleine, dikke Ierse, die begiftigd was met het gauw aangebrande humeur van de vromen, zag eruit als een dode in een lijkwade – het enige verschil was dat zij bewoog. De heksen in mijn dromen droegen nonnenkappen, geen puntmutsen.
Op mijn twaalfde ging ik naar een katholieke middelbare school, waar we les kregen van de broeders van een nabijgelegen klooster. Ze waren geestelijk niet zo uitgedroogd als hun gelovige zusters, maar ze waren op de een of andere manier ontmenselijkt geraakt door gebed en eenzaamheid. Voor de meest onbeduidende vergrijpen kregen we lijfstraffen. Ze sloegen ons met een riet op onze handen, altijd op de linkerhand, zelfs bij linkshandige leerlingen, op onze blote billen en op het zachte vlees aan de achterkant van onze dijen. En om het minste of geringste kregen we een draai om onze oren of een klap op ons hoofd. Weerzinwekkend was het.
Toch heb ik van hen dingen geleerd die sindsdien van grote waarde voor me zijn geweest: meetkunde, waarmee je baanberekeningen kunt maken; de Engelse taal; aardrijkskunde, waardoor je kennis kreeg van de wereld en de plekken waar je onder kunt duiken; geschiedenis, die op zichzelf waardevol is en die je in staat stelt om je plaats in die bonte optocht in te nemen; metaalbewerking. En haten heb ik daar ook geleerd.
Op mijn dertiende werd ik naar een katholiek internaat in Midden-Engeland gestuurd. Ik zal niet zeggen welk internaat, want dan zou u me kunnen traceren. Ik was een goede leerling, met name in wiskunde en de natuurwetenschappen. Voor talen heb ik nooit veel aanleg gehad. Ik kreeg niet zoveel slaag als de anderen, omdat ik me gedeisd hield, zoals dat heet. Ik gedroeg me niet kruiperig tegenover de leraren, ik zorgde er alleen voor dat ik mijn hoofd niet boven het maaiveld uitstak.
Op een internaat leer je hoe je je kunt verbergen in de menigte. Ik leerde mijn lessen, deed met voldoende animo mee aan de belangrijk geachte sporten, maar zonder ooit de kleuren van de school te hoeven verdedigen. Ik scoorde nooit goals, maar was wel altijd de handige jongen op de rechtervleugel die de bal op het juiste moment aanspeelde op de spits in het middenveld. In de jeugdorganisatie van het ministerie van Defensie, die aan de school verbonden was, was ik de beste schutter, dat wel. Daar heb ik op mijn veertiende geleerd hoe je een Bren-geweer in en uit elkaar haalt. En daar hebben ze me geleerd hoe je kunt bidden zonder na te denken. Beide vaardigheden zijn me goed van pas gekomen.
Het katholicisme, dat alle perversies van het christendom omvat, is geen geloof van liefde. Het is een geloof van angst. Als je gehoorzaam bent en je aan de regels houdt, zal de hemel je deel zijn, dan win je de eerste prijs in de loterij van de eeuwigheid. Ben je ongehoorzaam, tegendraads, weiger je de aangeboden reddingsboei, dan is de poedelprijs van de eeuwigdurende verdoemenis je deel. Bemin de enige God, dan zul je veilig zijn, is het dogma. Kun je die liefde niet opbrengen, dan zal Hij je pas redden als je je voor het altaar neerwerpt en je spijt betuigt. Wat voor een religie is dat, die zo’n vernedering eist? U merkt het: met het ouder worden is mijn minachting alleen maar toegenomen.
Het was niet koel in het kerkje. Het was er koud. Er waren geen vensters, afgezien van een paar smalle spleten met glas ervoor, als geschutsopeningen voor boogschutters, waar het zonlicht door naar binnen viel. Het duurde een tijdje voordat mijn ogen aan de duisternis gewend waren. Ik liet de deur open om beter te kunnen zien. Toen ik er eenmaal aan gewend was om midden op de dag in de schemering te verkeren, verbaasde ik me over de dingen die er om me heen allemaal te zien waren.
Elke vierkante centimeter was beschilderd. De fresco’s begonnen op de vloertegels en liepen door aan het houten dak. De koepel boven het eenvoudige altaar – dat bedekt was met een door schimmel aangetaste witte doek – was diepblauw van kleur, met daarop gouden sterren en een bleke, heldere maan.
De afbeeldingen waren van vóór Brunelleschi, nog zonder perspectief, in visueel opzicht tweedimensionaal, met als derde dimensie de magie die ervan uitging. Op één muur was een vijf meter lange afbeelding te zien van het Laatste Avondmaal. Iedereen aan tafel had een aureool, maar alleen dat van Christus was lichtgeel met gouden stralen, terwijl die van de anderen gewone, met zwart, lichtbruin of blauw ingekleurde dofrode cirkels waren. Op tafel lag een brood dat eruitzag als een groot uitgevallen kadetje en een paar stengels die op preien leken. Verder geen levensmiddelen. Ze moeten ofwel hebben zitten wachten totdat het eten zou worden opgediend, ofwel ze waren al klaar en stonden op het punt van vertrekken. Je zag wel wat aardewerk, twee wijnkruiken, een paar schalen en een kelk. Het enige bestek was een mes, een hakmes als van een slager.
Allen aan tafel zagen er hetzelfde uit. Mannen met baarden, met halo’s, met starende ogen en lang haar. Eentje had een rood hoofd en geen aureool. Natuurlijk. Onder de tafel lag een hond met zijn kop op zijn voorpoten te slapen. Ze moeten de maaltijd al achter de rug hebben gehad, want de hond zag er weldoorvoed en tevreden uit.
Op de muur waren verder nog afbeeldingen te zien van een aantal tempeliers met witte schilden met rode kruisen tegen een achtergrond van vage bergen. Een van hen was Sint-Joris, die een draak met een bijna oosterse uitstraling doodde. De kunstenaar was redelijk handig in het uitbeelden van mensen en paarden, maar de bomen leken meer op meerstammige schimmels van het genus Amanita. Het is best mogelijk dat ze dit soort paddenstoelen juist moesten voorstellen, de magische paddenstoel, de somaplant, die de mens de dromen van de goden brengt.
Boven in het schip van het kerkje kregen Adam en Eva hun verdiende loon voor hun misdragingen in het paradijs. Daar vlakbij knielden de drie wijzen uit het oosten voor de Maagd met het kind, dat zijn handje uitstak naar het goud. Heel toepasselijk, denk ik bij mezelf: de katholieken zijn altijd op geld uit geweest.
Ik negeerde de andere scènes uit het leven van Christus en de heiligen. Ze maakten me kwaad. Wat een tijd was er besteed aan de versiering van zo’n anoniem kapelletje midden in de bergen, en dat allemaal om zo’n triviale, onzinnige geschiedenis vast te leggen.
Ik draaide me om en maakte aanstalten om te vertrekken. En op dat moment sloeg de verschrikking toe, de gruwelen van de geschiedenis, van de religie, van de politiek, de manipulaties van de mensheid, de verminking van mensenlevens tot kritiekloze berusting, tot buigen voor de status-quo.
De muur waarin de deur zich bevond werd helemaal in beslag genomen door afbeeldingen van de hel. Open doodskisten stonden er afgebeeld, waaruit rottende doden zich verhieven boven hun volmaakt vormgegeven verval. Hoeren met ontblote boezem en het geslacht in felroze, niets verhullende kleuren lagen er op hun rug, de benen gespreid, klaar om een falanx van rode duivels te ontvangen. Bij een van de hoeren een tekstballon met de woorden die ze uitkraamde, als een hedendaags stripfiguur.
Ik kan het Latijn in het gestileerde schrift niet lezen, maar veronderstel dat als een moderne geleerde het zou vertalen, er zoiets zal staan als: ‘Hier komt de duivel syfilis.’
Andere duivels met drietandige hooivorken, zoals die buiten de vervallen schuur, dwongen zondaars een brandende put in. Gele en rode vlammen likten aan hun billen. Uit een ketel werd brandende zwavel, het eigen brouwsel van de duivel, als stroop over hen uitgegoten. Dicht bij het plafond, dicht bij de hemel, stond een reusachtige duivel, meester Beëlzebub zelf. Hij was grijs-zwart en had rode ogen als de mistlampen van dure auto’s. Hij had de voeten van een feniks, het hoofd van een griffioen en de handen van een mens. Een naakte vrouw balanceerde op zijn staart, waarvan de punt in haar kut stak. Ze schreeuwde het uit van pijn. Of van genot. Ik zou het niet kunnen zeggen.
Ik liep snel naar buiten, het daglicht in. De deur sloeg achter me dicht. Ik keek op en liet me verwarmen door de zon.
Door vanuit de fantasie in het kerkje weer in de realiteit van de dag te treden, leek het alsof ik door de hel was gegaan, maar toen ik de deux-chevaux startte en de motor aansloeg, viel me in dat ik niet door de hel was gegaan, maar er juist in binnen was getreden. Want wat is de hel anders dan de moderne wereld, die in ontbinding is en teloorgaat, aangetast is door de zonden tegen het volk en tegen Moeder Aarde, die verwrongen wordt door de grillen van politici en verzuurd door bezweringen van huichelaars.
Ik reed haastig weg. Mijn ruggengraat jeukte alsof de duivels me op de hielen zaten, alsof de schaduwfiguur in de buurt was.
Even verderop passeerde ik de oude man, staande naast een blauwe personenauto waarvan in het scheefstaande spiegeltje aan de bestuurderskant de zon weerkaatst werd. Tot mijn verrassing zwaaide hij naar me toen ik voorbijreed. Maar misschien wees hij alleen maar naar me en zei hij tegen zijn metgezel in de auto dat ik die halvegare buitenlander was die erover dacht de oude boerderij te kopen.
Later, in de eenzaamheid van mijn appartement, moest ik aan Dante denken.
Lasciate ogni speranza voi ch’entrate.
==
Na veel nadenken en piekeren heb ik besloten het vizier eraf te halen en naar voren te halen. De rubberen oogschelp zat een beetje te ver naar achteren. Ik zou ook de kolf hebben kunnen inkorten, maar dat zou de balans van het wapen hebben verstoord.
Die balans is van wezenlijk belang. Het wapen zal, wanneer het gebruikt wordt, niet op een veilige plek stabiel op iets kunnen rusten, maar zal worden afgevuurd vanuit een hachelijke positie, op een dak, of door een raam dat maar een paar centimeter open kan, of vanuit een bosje, of vanachter een boom of een stilstaande bestelwagen. De schutter moet volkomen op het wapen kunnen vertrouwen, zodat hij al zijn aandacht kan richten op het doelwit en zelf onopgemerkt blijft.
Het vizier opnieuw instellen is niet moeilijk, maar het moet wel precies gebeuren. De toegestane afwijkingen zijn minimaal.
Tot ’s avonds laat werk ik eraan, en om de zoveel tijd test ik het machinepistool en probeer ik het op een potloodstreepje te balanceren waarvan ik heb berekend dat het daar in evenwicht moet zijn. Het is al na elven als ik eindelijk klaar ben. Mijn ogen doen pijn van het felle licht boven mijn werkplek. Mijn vingers zijn stram. Mijn hoofd bonkt.
Ik leg het machinepistool neer, knip het licht uit, pak een biertje uit de koelkast en loop naar de loggia.
De stad gonst nog, maar zwak. Het is stil in de oude wijk waar ik middenin woon, en de rust wordt slechts nu en dan onderbroken door de echo van een auto in de canyons van de smalle straatjes of een stem in de Via Ceresio.
Ik ga aan de tafel zitten en neem een slok van mijn bier. Het is al laat, maar de stenen voelen nog warm aan. Er is geen maan, en de sterren zijn lichtgaatjes in het satijn van de nacht. De bergen zijn sluiers van in het zwart geklede weduwen die in de kist kijken, de lichtjes in de dorpen zijn de weerkaatsingen van de begrafeniskaarsen in hun ogen.
Als het oude weduwen zijn die in een kist kijken, dan ben ik het lijk. En dat geldt voor ons allen. Die doden zijn wij allemaal. We zijn erdoorheen, het is gedaan met ons. Het spel is voorbij. Het heeft lang geduurd, maar nu is het afgelopen. We krijgen ons verdiende loon.
Ik zal in elk geval binnenkort mijn loon krijgen. Mijn bezoeker zal terugkomen, ik zal de Socimi overhandigen, en dan is de klus geklaard.
En dan?
Dit is mijn laatste opdracht. Na de Socimi doe ik niets meer. Ik word er te oud voor.
De vallei is zo mooi ’s nachts. Zo mooi als de dood.
==
Efisio is eigenaar en uitbater van Cantina R. op de Piazza di S. Rufina. Hij is een jaar of zeventig en wordt door de lokale bevolking The Boss genoemd. Zijn dranklokaal heet in het alledaagse spraakgebruik ook The Boss. Maar niet Il Boss. Hij is in zijn jonge jaren de stad uit getrokken en in de stroom van emigranten naar Amerika gegaan om te ontkomen aan de armoede en ellende. In New York, zo gaat het verhaal, heeft hij met twee medeplichtigen een bank beroofd, waarna hij een kroeg is begonnen in Little Italy. De kroeg werd een bar en vervolgens een speakeasy. Het ging Efisio voor de wind. Hij sloot zich aan bij een maffiagroep. Het ging hun voor de wind. Toen hij oud werd, heeft hij uiteindelijk de boel verkocht, zich afgemeld bij de maffia en is teruggekeerd naar zijn roots, waar hij opnieuw is gaan doen wat hij het beste kon – een dranklokaal exploiteren.
Cantina R. bestond al vóórdat Efisio het kocht. Het was geen goedlopende zaak. De kroeg lag te ver van de Piazza del Duomo, de markt en de Porta Roma, waar de voerlieden en later de vrachtwagenchauffeurs bijeenkwamen. Maar geleidelijk aan begon zijn reputatie te groeien. Het buffet is een massief stuk eikenhout van zeven meter lang, bijna een meter breed en dertig centimeter dik. De wijnen zijn de beste in de stad. Het aantal soorten bier is het grootste. De tafeltjes zijn het schoonst en ze zijn van hout, niet van blik of van plastic. De vloeren glimmen als vloeren van een middeleeuws klooster. Er is weinig verlichting en de ramen zijn van matglas. Van buitenaf kan niemand zien wie er binnen zit te drinken. The Boss is daarom een ideale ontmoetingsplaats voor mannen die geen zin hebben om naar huis te gaan en kantoor- en winkelbedienden die hun chef ontlopen. Het is er niet verboden voor vrouwen – het is geen Groot-Brittannië met zijn herenclubs – maar ze komen er maar weinig, en dan meestal alleen in groepsverband. Er is geen jukebox, geen gokmachine waar je een waardeloos horloge kunt winnen en geen eenarmige bandiet. Er zijn geen biljarttafels, dartboards, flipperkasten of kegelbanen. Dit is een plek om serieus te zijn, om te drinken en te praten.
Ik ga er nooit alleen naar binnen. Ik ken de stamgasten niet. Soms neemt Galeazzo me ermee naartoe voor de lunch. We nemen onze eigen plakjes parmaham en sneetjes brood mee, die we op een vel vetvrij papier op een van de tafeltjes neerleggen. Dan bestellen we een fles barolo, dat is koppig spul zo midden op de dag. En dan moeten we naderhand een tukje doen. Maar het is goed om op een plek te zijn waar alleen maar gepraat wordt.
De klanten die de kroeg bezoeken zijn afkomstig uit alle lagen van de bevolking. Giuseppe komt er ook weleens als hij op straat wat geld heeft gevonden. The Boss is niet goedkoop. Maria is een stamgast en een van de weinige vrouwen die er in haar eentje komt. Ze wordt snel opgenomen in de groep van deelnemers aan het gesprek. En bedenk dat voorbijgangers niet naar binnen kunnen kijken. Als echtgenoot zit je hier veilig.
Dat ik er nooit alleen naar binnen ga, komt doordat Efisio zo sluw is. Hij is wat de Amerikanen streetwise noemen. Hij heeft de slimheid en de mensenkennis die cafébazen over de hele wereld bezitten. Je ziet van alles. Mensen die aan het verloederen zijn, kleine zondaars, trouwelozen en ontrouwen, bangeriken en types die zich moed indrinken: iedereen komt bij je binnen, iedereen leunt op je bar, iedereen zet je glas aan zijn lippen. Maar een klant in het gezelschap van een ander wordt niet zo precies bekeken, zal niet zo gauw worden aangesproken, je zal bij hem niet zo gauw zoeken naar wat in de diepte verborgen is, zoals de politie in een vijver dregt waar iemand in verdronken is.
Voor mensen als Efisio moet ik extra oppassen. Zoals een priester in zijn biechtstoel – want een bar is tenslotte niets anders dan een informeel soort biechtstoel, zonder roostervenster, gordijntje en gedempte stemmen – is ook de barkeeper een biechtvader. De priester zwijgt evenwel over datgene wat hem verteld wordt, maar de barkeeper is niet gebonden aan een eed van geheimhouding. De priester geeft je in ruil voor wat je hem vertelt opdracht om weesgegroetjes te bidden, die God op zijn beurt incasseert. De barkeeper belt de politie en incasseert contant geld in ruil voor de informatie die je hem hebt verstrekt.
En dat is jammer. Ik zou wel met Efisio willen praten. Hij heeft een leven geleid in de marge van de wereld waarin ikzelf leef. Ik ben ervan overtuigd dat hij weleens iemand heeft gedood, en hij zal zeker anderen opdracht hebben gegeven om iemand te doden. Zonder zo’n verleden zou hij niet kunnen zijn wie hij nu is, wat hij nu is. Ik denk dat het goed zou zijn om eens met hem te praten over zijn ervaringen en ze te vergelijken met de mijne. Mensen als wij houden ervan om af en toe eens over ons vak te kletsen. Maar zodra hij mijn achtergrond zou kennen, al zou hij er maar een vermoeden van hebben, zou hij de telefoon pakken en de carabinieri bellen, of de polizia. En als hij echt slim is, zou hij niet eens contact opnemen met de plaatselijke autoriteiten, maar rechtstreeks bellen met Rome, met Interpol, met de Amerikaanse ambassade en de fbi, waar hij volgens mij nog zijn contacten heeft. Dan zou hij voor een tijdje de grote man zijn in de kranten, hij zou geïnterviewd worden voor rai uno en voor een tijdje meer zijn dan maar een gewone, van de emigratie naar New York teruggekeerde caféhouder.
Hij zou zijn stempel op de geschiedenis hebben gedrukt.
Maar dat stempel zou, als een druppel bloed in warm zand, snel vervagen en verdwijnen, een legende worden waar hij zelf niet veel aan zou hebben, maar die het café wel ten goede zou komen. De klantenkring zou groeien, en allerlei nieuwsgierigen zouden graag willen weten op welke plek ik aan de bar had gehangen, uit welk glas ik gedronken had en wat mijn favoriete wijn was geweest. Ze zouden naar het glas kijken en zich met net zo’n fles voor hun neus verdringen om die ene meter aan de bar. The Boss zou een bedevaartsoord worden, een monument voor een antiheld.
Zo’n voordeeltje zou ik Efisio niet willen bezorgen, niet op zo’n manier, ten koste van mijzelf.
Als ik deze handelwijze zou volgen en aldus mijn borst zou ontbloten voor de Baretta 84 (9 x 17 mm, die polizia en carabinieri gebruiken, want daar zou dan een redelijk grote kans op bestaan – zo dom ben ik niet), zou het me niet verbazen als over twee eeuwen het verhaal de ronde zou doen dat op de plek waar ik gevallen ben jaarlijks op mijn sterfdag bloed tussen de tegels zal opwellen – Italianen zijn tenslotte dol op bedevaartsoorden.
==
‘Ik wandel hier elke woensdagochtend.’
Pastoor Benedetto zegt het met zelfverzekerdheid. Als man Gods kent hij geen twijfels ten aanzien van zijn uiteindelijke bestemming. Hij zal zolang als het hem vergund is elke woensdagochtend hier in het Parco della Resistenza dell’ 8 Settembre wandelen. En mocht het wandelen op een gegeven moment niet meer gaan, dan zal hij hier toch blijven komen, totdat God hem naar het hiernamaals haalt. Het maakt hem niet uit wat zich het eerste voordoet.
De pijnbomen en populieren staan er roerloos bij. Het is nog maar een halfuur sinds het ochtendgloren en de zon is nog niet op, maar het is al wel licht. De lucht is nog koel van de nacht en de atmosfeer wordt nog niet zo verwarmd dat er in de vallei zelfs maar het geringste briesje staat. De mussen hippen al rond in hun eindeloze zoektocht naar partners en kruimels.
Ik had de priester van een afstandje al gezien en hem herkend aan het heen en weer zwaaien van zijn soutane tijdens het lopen, alsof hij nog in zijn nachthemd gekleed was. Ik hoefde me niet verborgen te houden om te kijken wie deze wandelaar op de vroege ochtend was.
Zodra hij me zag, hief hij zijn hand op in een gebaar dat voor de helft een groet was en voor de helft een zegening, alsof hij alle mogelijkheden openliet. Ik had tenslotte een geest van de duisternis kunnen zijn die tussen de bomen ronddwaalde op zoek naar een gat in de grond naar de onderwereld.
‘Buon giorno!’ roept hij al als hij op twintig meter afstand is. ‘Dus jij wandelt voor zonsopgang ook al in het park.’
Ik begroet hem, en we wandelen langzaam naast elkaar verder. Hij heeft zijn handen achter zijn rug. Ik houd de mijne liever in mijn zakken, of ik nu wel of niet iets vasthoud. Het is een gewoonte van me.
‘Het is een rustig moment van de dag,’ zeg ik ter verklaring, ‘en ik geniet van die rust. Er is bijna geen verkeer, de mensen liggen nog in bed, de lucht is nog niet vergeven van de uitlaatgassen en de vogels zingen.’
Als in een onbewuste reactie begint een onzichtbare vogel ergens in de populieren zachtjes te kwinkeleren.
‘Ik kom hier om te mediteren,’ zegt Benedetto. ‘Eén keer per week. Op woensdag, zo ver mogelijk vóór en na de dag des Heren. Ik volg altijd hetzelfde pad. De bomen zijn net de staties van de kruisweg – bij bepaalde bomen dank ik God voor specifieke gunsten die hij mij heeft verleend of voor specifieke gaven die hij mij en alle mensen heeft geschonken.
Bij deze pijnboom blijf ik bijvoorbeeld altijd even staan om Hem te bedanken voor de zonsopgang. Maar nu nog niet. Pas bij de volgende ronde. Want je ziet dat de zon nog niet op is,’ zegt hij, en hij wijst naar het oosten, waar aan de horizon een lichte verkleuring is te zien.
‘U bedoelt,’ antwoord ik plagerig, ‘dat u alleen bidt als de zon aan de hemel staat. Het lijkt wel alsof u eraan twijfelt of het zal gebeuren. Misschien zal hij u de zonsopgang vandaag niet schenken.’
‘Aan mij schenken?’ De priester veinst verbazing. ‘Die schenkt hij aan ons allen. Zonder mankeren.’
‘Vast en zeker,’ beaam ik, en ik grijns.
Hij weet dat mijn plagerijtje niet kwaad bedoeld is.
Even blijft hij staan en buigt het hoofd.
‘En hier op dit gedeelte?’ vraag ik als we met het geluid van knerpend grind onder onze voeten verder langs het pad lopen.
‘Op dit stuk dank ik Hem voor de vele vriendschappen die ik heb en vraag ik Hem om te zorgen voor diegenen onder mijn vrienden over wie ik ongerust ben.’
‘Ik loop hier gewoon omdat het zo vredig is,’ merk ik op. ‘Ik heb vannacht lang doorgewerkt, en hiermee ontspan ik me. Ik moet me in mijn werk erg concentreren op de details.’
‘Vlindervleugels. Ja, die vereisen een grote concentratie.’ Hij knikt terwijl hij het zegt, maar hij kijkt me ook van opzij aan met een blik die ik niet kan interpreteren.
We lopen door. Bij een cipres buigt hij zijn hoofd nogmaals, maar ik vraag niet wat hij gebeden heeft, en uit zichzelf meldt hij het niet.
‘Alle mensen zijn op zoek naar vrede,’ zegt Benedetto terwijl we een bocht in het pad volgen en door bloeiende struiken een lichte helling opgaan. ‘Jij loopt hier vroeg op de dag, anderen lopen hier in de avondkoelte om hun zorgen kwijt te raken, en weer anderen komen hier ’s nachts om elkaar dicht tegen zich aan te drukken.’ Hij maakt een handgebaar in de richting van de struiken waar de vrijende paartjes liggen. ‘Hoeveel bastaarden zouden hier niet zijn verwekt?’ Er klinkt groot verdriet in zijn stem.
‘Ik vind mijn rust in de bergen,’ verklaar ik als we het struikgewas verlaten.
‘O ja?’ vraagt de priester. ‘Dan blijf je hier misschien wel en vestig je je hier voorgoed.’
‘Hoe weet u of ik erover denk om te weg gaan?’
‘Zij die op zoek zijn naar vrede, vinden haar maar zelden. Zij zijn altijd in beweging, zoeken haar steeds ergens anders. En,’ voegt hij er met een alerte blik aan toe, ‘meestal zijn het zondaars.’
‘Alle mensen zijn zondaars.’
‘Dat is zo. Maar sommigen zijn grotere zondaars dan anderen. En zij die op zoek zijn naar vrede hebben in het verleden veel gezondigd.’
‘Ik heb voor mezelf vrede gevonden,’ zeg ik.
Dat is natuurlijk niet waar. Die heb ik nooit gekend. Maar in feite heb ik er ook nooit naar gezocht. Tot nu toe althans niet.
Er is altijd een element van opwinding in mijn leven, en dat komt niet alleen doordat ik deze kunst heb gekozen, en evenmin alleen doordat ik door bepaalde mensen wordt gezocht, door hen die zich in de schaduw ophouden, maar ook door mijn eigen verlangen om onderweg te zijn en te blijven. Het leven is een lange reis, en ik ben niet iemand om halverwege uit te stappen. Ik wilde altijd al snel vooruitkomen, de volgende hoek om, het volgende uitzicht bekijken en me daar dan in begeven.
Maar hier zou ik misschien wel willen blijven. In deze vallei met zijn kastelen en dorpen, met zijn bossen met wilde zwijnen en zijn bergweiden, zo levendig met al die fladderende vlinders. Er heerst hier een rust die je elders niet vindt.
En misschien wordt het ook wel tijd om de opwinding te dempen, om het rustiger aan te gaan doen, nu ik ouder begin te worden en de resterende tijd die mij op aarde is gegund korter wordt.
Ik vind mezelf nog steeds jong. Ik weet wel dat mijn lichaam ouder aan het worden is, dat de cellen krimpen en de hersenen in versneld tempo afsterven, maar ik heb de ziel en de idealen van een jonge man. Ik wil nog steeds mijn ding doen en mijn steentje bijdragen aan het vormgeven aan de wereld.
‘Ik zou zeggen dat jij je vrede nog niet hebt gevonden,’ zegt Benedetto, mijn gedachten onderbrekend. ‘Je bent er nog steeds naar op zoek, je verlangt er nog steeds naar. Heel erg, heel serieus. Maar zover ben je nog niet, en…’
Hij pauzeert nu we weer bij een statie in zijn gebedsronde komen, en hij buigt het hoofd en mompelt in zichzelf kort iets tegen zijn God.
‘En?’ vraag ik als hij doorloopt.
‘Vergeef me. Het is de priester in mij die nu spreekt. En de vriend. Maar je hebt veel gezondigd, signor Farfalla. Misschien nog steeds…’
‘Ik heb een minnares,’ beken ik. ‘Ze is jong genoeg om mijn dochter te kunnen zijn en mooi genoeg om mijn schoondochter te zijn, gesteld dat ik een zoon had. We doen het twee keer per week, vaak met nog een ander meisje erbij. Met z’n drieën. Een ménage à trois…’
Benedetto snuift – weer zo’n Franse uitdrukking voor iets immoreels.
‘… maar dat beschouw ik niet als zondigen,’ vervolg ik.
‘In onze moderne wereld,’ antwoordt hij kortaf, ‘zijn er priesters die je mening delen, maar…’ – en hij gaat weer zachter praten, op de toonhoogte van de biechtstoel – ‘… ik heb het niet over de zonden des vlezes. Ik dacht meer aan doodzonden…’
‘Zijn niet alle zonden gelijk?’ vraag ik, in een poging om het gesprek een andere wending te geven. Maar daar wil hij niet van weten.
‘Dit gaat niet over theologie, vriend, maar over jou.’
Het pad voert naar een groot grasveld. In het midden daarvan is een stel kraaien aan het bakkeleien over een hapje. Als we dichterbij komen, fladderen ze op en blijkt eentje de restanten van een dode rat in zijn bek te hebben.
‘Je houdt van deze stad, van deze vallei. Je zou hier eigenlijk willen blijven, hier eindelijk rust vinden. Maar je kunt het niet. Er is iets in je wat je niet kunt negeren. Een of andere kracht van buitenaf. Iets vijandelijks.’
Hij is veel scherpzinniger dan ik dacht. Ik had moeten onthouden wat ik destijds op school heb geleerd: katholieke geestelijken hebben niet alleen God aan hun zijde, ze hebben ook de gave in de ziel te kunnen kijken zonder die open te hoeven wrikken.
‘Wat voor werk doe je, vriend?’ vraagt hij ronduit. ‘Je schildert vlinders, ja. En je bent een uitstekend kunstenaar. Maar daarmee krijg je niet zoveel geld bij elkaar. Het is waar, je kunt hier in de bergen als een vorst leven met slechts twintigduizend Amerikaanse dollars per jaar, maar jij hebt meer. Je zwaait niet met stapels bankbiljetten, je rijdt in een goedkope auto en je huur is niet hoog, maar ik voel dat je rijk bent. Hoe kan dat?’
Ik zwijg. Ik weet niet wat of hoeveel ik aan de priester kwijt kan. Ik ken hem goed, maar niet goed genoeg om hem volledig in vertrouwen te nemen. Zo goed ken ik niemand.
‘Vlucht je voor iets, zoals dat heet?’
Ik ben niet bang voor hem, wat ik voor anderen wel zou zijn. Ik heb er geen verklaring voor, maar zo is het wel. Hij is op de een of andere manier betrouwbaar, maar toch blijf ik voorzichtig.
Ik voel aan dat ik hem in elk geval iets moet vertellen, al is het maar om zijn nieuwsgierigheid en zijn behoefte om in mijn leven te wroeten tevreden te stellen. Ik zou hem een aantal onwaarheden kunnen vertellen, maar ik moet niet tegen hem liegen, want dat zal hij snel in de gaten hebben. Ik moet door zorgvuldig te veinzen op een plausibele manier een beeld proberen op te bouwen dat hij bereid zal zijn te accepteren, ondanks het inzicht dat hij als priester heeft in de ziel en zijn ervaring met onwaarachtige biechtelingen.
‘Alle mensen vluchten voor iets.’
Hij lacht zachtjes.
‘Daar heb je gelijk in. Alle mensen leven wel onder een of andere schaduw, maar jij lijkt wel onder heel veel schaduwen te leven.’
Wel verdomme, denk ik. Hij heeft me goed bestudeerd.
‘Goed, ik heb veel gezondigd,’ erken ik, iets luider dan ik wilde. Ik demp mijn stem. ‘En misschien leef ik nog steeds in zonde. Er is geen mens op aarde die niet dagelijks zondigt, heel erg zondigt zelfs. Maar de zonden die ik bega, als het al zonden zijn, komen de mensheid ten goede, niet…’
Meer moet ik niet zeggen. Als ik mijn gordijn voor deze pastoor open, zal hij niet alleen door het raam naar binnen kijken, maar ook een been over de vensterbank zwaaien en binnenkomen om eens goed rond te kijken.
‘Hoe zou je kunnen ophouden met vluchten als je geen afstand neemt van je zonden, als je ze niet hebt opgebiecht en er geen berouw over hebt?’
Hij heeft gelijk. Ik ben het niet met hem eens op het punt van berouw over mijn zonden, maar ik erken dat ik mijn manier van leven zal moeten opgeven om deze zo ongrijpbare vrede te vinden, wat die ook mag inhouden.
‘Wil je me ze vertellen?’
‘Waarom zou ik?’
‘Voor je eigen bestwil. Je weet waarom. Misschien kan ik voor je bidden?’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik zou redenen kunnen hebben om ze u te vertellen, maar u moet niet voor mij bidden. Ik zou niet willen dat u tegen uw God meineed pleegt. Hij zou u kunnen straffen door alle armagnacvoorraden ter wereld te vernietigen.’
Ik probeer ons gesprek een luchtige toon te geven, maar hij wil het gesprek nog steeds niet door mij laten bepalen. Hij is hardnekkig als een hongerige mug, hij zoemt om me heen, duikt op me af, ontwijkt mijn uithaal en cirkelt rond om een nieuwe aanval voor te bereiden. Hij is zo hardnekkig als een rooms-katholieke priester die een echte, oprechte, doorgewinterde zondaar voor zich ziet die moet worden gered.
‘Nou?’ zegt hij, bij wijze van aansporing.
‘Nou, ik heb weinig te zeggen, weinig te vertellen. Ik leef in een gesloten wereld, en dat bevalt me. U hebt gelijk, pastoor – ik ben niet arm. Ik ben geen arme kunstenaar. Maar ik ben wel een kunstenaar. Ik maak dingen.’ Ik aarzel en vraag me af wat ik moet zeggen. ‘Kunstvoorwerpen.’
‘Je bent een valsemunter?’
‘Waarom zegt u dat?’
‘Je werkt met metaal. Je krijgt weleens ijzer van Alfonso, de autodokter.’
‘U weet blijkbaar veel van mij.’
‘Nee, ik weet weinig. Ik weet alleen wat je in de stad doet. Alledaagse zaken houd je niet zo makkelijk verborgen voor de mensen. Ze praten niet. Alleen tegen mij. Ik ben hun priester, ze vertrouwen mij.’
‘En dat zou ik ook moeten doen?’ vraag ik.
‘Natuurlijk.’
Hij blijft weer staan, buigt het hoofd, mompelt een gebed en komt weer in beweging. De zon is op en de lucht wordt al warmer. Er klinkt enig gebrom van auto’s op straat. De mussen in het gras steken minder energie in hun gekibbel – ze weten dat het warm zal worden.
‘Nu loop ik een ronde zonder te stoppen,’ verklaart Benedetto. ‘Deze doe ik voor mijn conditie, niet voor Onze-Lieve-Heer.’
‘Uw laatste gebed was niet voor mij, hoop ik.’
‘En als het dat wel was, wat wou je daar dan aan doen?’ Hij grijnst.